De toekomst, gezien vanuit de negentiende eeuw. Al zijn er voorlopers geweest, van echte science-fiction is op zijn vroegst sprake in de negentiende eeuw. Fantasieën over bijvoorbeeld ruimtevaart, om te beginnen met reizen naar de maan, zijn al zo oud als de literatuur. Maar die fiction heeft aanvankelijk weinig met science te maken. Lucianus van Samosate schreef in het jaar 125 zijn dialoog Een waar verhaal over een reis naar de maan als parodie op opschepperige reisverhalen. Dante, Ariosto en Kepler bereisden het heelal zonder zich veel van de stand der techniek aan te trekken. Francis Godwin maakte in 1638 voor zijn gefantaseerde ruimtereis gebruik van wilde zwanen en bij Cyrano de Bergerac tracht de astronaut tien jaar later op te stijgen door flessen met dauw om zijn middel te binden, want de zon trekt te dauw aan. In zijn tweede boek van 1662 gebruik hij al raketten. Geleidelijk werd ook de mogelijkheid van ruimtevaart zonder bovennatuurlijke krachtbronnen serieus overwogen. De zeventiende-eeuwse jezuïet Francesco Lana dacht aan een luchtledige bol, in de mening dat die lichter dan lucht was. John Wilkins roept diezelfde eeuw in zijn Discourse concerning a new world and another planet op tot wetenschappelijk onderzoek dat op ruimtevaart gericht is. in 1728 beschrijft McDermot een reis naar de maan. Daarna beschrijft Bilderdijk een ruimtereis per luchtschip, in 1831 gevolgd door Edgar Allan Poe met diens Unparalleled adventure van de Rotterdammer Hans Pfaal, die een poging waagt in een ballon van oude kranten. Maar nu zijn we al in de negentiende eeuw beland, waarin Jules Verne onder meer zijn Reis naar de Maan beschrijft als heel wel mogelijk. Met wetenschappelijk aandoende argumenten. Waar begint de science fiction? Frankenstein van Mary Shelley wordt vaak beschouwd als vroeg voorbeeld van science fiction. Maar bij haar speelt de science nauwelijks een rol in de fiction. Als baron Frankenstein er door studie van de anatomie in geslaagd is de oorsprong van het leven te ontraadselen en hij daarmee in staat is zelf leven te scheppen in een constructie van aaneengetranspanteerde dode ledematen, stelt hij zich voor dat de lezer wil weten hoe hij dat voor elkaar heeft gekregen. Dan volgt dit weinig bevredigende antwoord: `Ik zie aan je gretigheid en de verbazing en hoop die uit je ogen spreekt, vriend, dat je verwacht te worden ingelicht over het geheim dat ik heb ontraadseld; dat mag niet zo zijn; luister geduldig tot ik mijn verhaal uit heb, en dan zul je gemakkelijk inzien waarom ik aangaande dat onderwerp terughoudend ben. Ik wil jou niet net als mijzelf, onachtzaam en vurig als ik toen was, leiden naar je ondergang, naar onvermijdelijke ellende. Neem van mij aan - en is het niet door mijn woorden dan toch minstens door mijn voorbeeld, hoe gevaarlijk het verwerven van kennis is en hoeveel gelukkiger de mens is die meent dat zijn geboortestadje de wereld is, dan degene die ernaar streeft groter te worden dan zijn natuur toestaat.' Frankenstein niet dus. Jules Verne misschien? Daar valt veel voor te zeggen, al bevatten diens Wonderreizen, Voyages extraordinaires, vooral leerzame uiteenzettingen aangaande de stand van de techniek in zijn eigen tijd, en is de fictie hooguit het vervoermiddel van de populair-wetenschappelijke verhandeling. In 1863 was het eerste deel verschenen van de Wonderreizen van Jules Verne, de Vijf weken in een luchtballon. Maar eerst had hij het boek op aandringen van zijn uitgever Hetzel had herschreven tot een avonturenroman. Uit datzelfde jaar moet het onlangs teruggevonden manuscript over Parijs in de twintigste eeuw dateren. In dat boek zijn, net als in de wonderreizen, ellenlange opsommingen en vooral leerzame uitweidingen te vinden over de perspectieven die de techniek anno 1863 bood. De roman speelt in de jaren 1960-1962. Het is een nogal zorgelijk vertoog over de toekomst, bepaald geen utopie. De hoofdpersoon, een jongeman genaamd Michel, leeft in een onmenselijk efficiënte wereld, hij is opgeleid aan een mammoet-scholengemeenschap die is ontwikkeld uit een soort informatiseringsbank, ja inderdaad een bank, en hij moet daar aanvankelijk een verschrikkelijk grote rekenmachine bedienen. Wanneer dat niet lukt moet hij getallen dicteren voor het zogeheten Grootboek, dat tot zijn verbazing nog niet is geautomatiseerd, maar een heel groot boek is. Maar Michel heeft degelijke ouderwetse opvattingen. Hij ontmoet een degelijke ouderwetse componist die - schrijft Verne- `een eeuw te laat geboren is', net als hijzelf. De muziek van zijn tijd is verworden door het werk van componisten als Wagner en Verdi, vinden zij. De jonge musicus is een liefhebber van de werken van de grote componist Victor Massé, `de laatste musicus met gevoel en een hart'. 18 opera's, 5 operettes. Overigens is er in Parijs een straat naar deze Victor Massé vernoemd. Hij ontmoet ook een jongeman die soldaat had willen worden, maar in dat 1960 is geen plaats meer voor de honneur, die destijds te behalen was in de strijd van man tegen man. De twintigste eeuw is een tijd zonder cultuur en zonder oorlogen. Verne verduidelijkt dat: `Zonder schilders geen schilderkunst, zonder musici geen muziek, zonder soldaten geen oorlogen... soldaten zijn kunstenaars.' Wanneer Michel bij de bank ontslagen is, vindt deze dichterlijke natuur een baan bij een toneelstukkenfabriek, een soort soap-opera-studio. `Le Grand Entrepôt dramatique' telt vijf afdelingen: Komedie, Vaudeville, Drama, Opera en Revue. Er werken schrijvers die zijn gespecialiseerd in het exposé, andere die de ontwikkeling van de intrige tot taak hebben, weer andere die over de climax gaan; er zijn specialisten die de afwikkeling schrijven en anderen die de introductie van de personages moeten verzorgen. Parijs in de twintigste eeuw is geen avonturenroman. Lange uiteenzettingen doen de voortgang van het verhaal telkens stokken. Daarbij komt telkens een ander thema naar voren. Niet alleen maatschappelijke en culturele thema's als onderwijs, familieleven, muziek, literatuur, toneel, vrouwen, maar ook automatisering in het bankwezen, nieuwe vormen van vervoer, en het wonder van de elektriciteit. Hier is Verne meer dan ooit de onheilsprofeet, ook waar het de techniek aangaat. Hij voorpelt de teloorgang van de cultuur in een op efficiëntie gerichte technologische maatschappij. Alles is gericht op economisch nut. De kunst is vercommercialiseerd. In sommige opzichten is zijn profetie bewaarheid. Zo zegt Michel: `In onze tijd zou Victor Hugo bokkesprongen maken op een circuspaard bij het voordragen van zijn Orientales, en Lamartine zou met zijn Harmonies leuren vanaf een hoge trapeze. De kunstenaar als performer, die de pias moet uithangen om zijn publiek te behagen. Vernes voorspellingen zijn bepaald door wat de stand van de techniek in zijn tijd te bieden heeft. Hij beschrijft een automatische deur, een lift, een fax (overigens al een paar jaar daarvoor uitgevonden door Giovanni Castelli!), elektrisch licht (al hebben volgens hem ook in 1952 sommige winkels nog gaslicht). Maar de door hem voorspelde elektrisch versterkte, oorverdovende muziek is wel van onze tijd, evenals de automatische beveiliging. En de gigantische rekenmachine doet denken aan een computer uit de jaren vijftig, waarin de roman speelt. Op het gebied van het vervoer voorziet hij de auto met verbrandingsmotor, gevoed door knalgas: `De machinist hanteerde een stuurwiel, een pedaal stelde hem in staat de snelheid te regelen.' In datzelfde jaar 1863 werd in Londen de eerste ondergrondse stadsspoorweg geopend. Vernes metro rijdt bovengronds over vaducten, want de passagiers zouden het niet prettig vinden door een tunnel te worden vervoerd. Die metro wordt magnetisch voortgedreven door een cilinder van weekijzer in een buis met perslucht. 1853 windmolens persen die lucht samen, die is opgeslagen in de catacomben. Ook al heeft Verne dit boek geschreven ná Vijf weken in een luchtballon, er is geen sprake van luchtvaart. Het is duidelijk dat Verne met zijn boek over Parijs in de 20ste eeuw niet zozeer de toekomst wil voorspellen als wel kritiek wil leveren op bepaalde ontwikkelingen die al in zijn tijd gaande zijn, vooral op cultureel gebied. Uit zijn Wonderreizen valt meer bewondering voor die nieuwe ontwikkelingen af te lezen, het pessimisme ligt er minder dik op, maar ook daar laat hij de meeste ondernemingen mislukken. De astronauten bereiken de maan niet, de poging om af te dalen naar het middelpunt der aarde slaagt evenmin. Veel van Vernes dromen zijn werkelijkheid geworden, zij het niet altijd met behulp van de door hem beschreven technieken. Het meeste van hij beschrijft is in principe mogelijk met de techniek van zijn tijd. Twintig jaar later na Parijs in de 20ste eeuw ziet de toekomst er al heel anders uit, bij Verne zelf en bij een schrijver als Albert Robida. Dan is er opeens geen sprake meer van vervoer over land, tenzij ondergronds, en dan wemelt de lucht van bestuurbare ballonnen. Robida was een illustrator die boeken schreef. Zijn getekende en beschreven toekomstvoorspellingen zijn satirisch bedoeld, hij stond bekend als karikaturist, maar juist hij kan worden beschouwd als de eerste schrijver van science fiction, dat wel zeggen fictie met de science als grotesk draagvlak, als vervreemdend gegeven. Bij Verne ging het meer om de science, bij Robida om de fictie. Ik vertaal de eerste bladzijde uit zijn roman Le vingtième siècle uit 1883: `September 1952 liep op zijn eind. De zomer was schitterend geweest; nu het vuur van de oogstmaand was getemperd, baadde de zon de mooie herfstdagen met hun gouden luister in een zachte, strelende gloed. `Het omnibus-luchtschip B, dat de dienst onderhield van het centraalstation van de Buizen - aan de Boulevard Montmartre - naar de aristocratische Faubourg Saint-Germain-en-Laye, volgde op de reglementaire hoogte van 250 meter de golvende lijn van de verlengde boulevards. `De aankomst van een trein uit de Buis-van-Bretagne had snel een dozijn luchtschepen gevuld die hun standplaats hadden onder het station en maakte dat een hele zwerm volgeladen luchttaxi's uitvloog, en luchtfietsen, luchtsloepen, en éclairs, bliksemsnelle luchtvoertuigjes, en luchttartanen voor het vervoer van de bagage, van die zware tjalken die nauwelijks dertig kilometer per uur halen. Luchtschip B vervoerde zijn volledige contingent aan reizigers, zo'n twintig binnenin en even zoveel op de kampanje - wat bij de landvoertuigen van weleer de imperiaal heette - en vier op het achter-platform. De afmetingen van het schip zouden het mogelijk hebben gemaakt een grotere hoeveelheid levende kilogrammen door de lucht te vervoeren, maar de maatschappijen die daartoe door de concurrentie waren genoopt, boden de reizigers alle ruimte. Hoeveel reizigers er ook waren, zodra het gewicht van 2500 kilo was bereikt en aangegeven door de wijzer van de teller verscheen op de beide zijden van de omnibus-schuit het woord complet in letters die een meter hoog waren en dan liet de controleur van het station niemand meer instappen. `Een groot deel van de passagiers van luchtschip B bestond uit Parijse zakenlieden die met hun gezin terugkeerden van hun buitenhuizen te Saint-Malo of van een klein uitstapje in het rotsachtige Bretonse heuvelland; dat was te zien aan de lege picnicmanden, de botaniseertrommels en de ganalennetten van de kinderen...' `Drie meisjes, die op de klapstoeltjes van een achterplatform zaten in het uniform van middelbare scholieren vormden een sierlijk groepje.' Overigens, pas een jaar later volbrachten de gebroeders Renard voor het eerst een tochtje in een bestuurbaar luchtschip. Afgezien van het feit dat Robida in dit boek mensen schetst met typisch negentiende-eeuwse gewoonten, hij vormde zich wel onmiddellijk een beeld van de mogelijkheden die nieuwe technische ontwikkelingen boden. Hij gaat in op de mogelijkheden van de fotografie, de radio, de geluidsversterking, en vooral het verkeer. Wat bij dat laatste opvalt is dat dat uitsluitend boven of onder het aardoppervlak plaatsvindt. De eerste auto, van Benz, zou pas twee jaar later de wegen onveilig maken. Verkeer over land is bij hem en zijn tijdgenoten volkomen achterhaald. Hij houdt de stand der techniek nauwkeurig bij. Wanneer hij zijn roman schrijft, is het luchtschip nog in ontwikkeling. De telefoon is pas acht jaar oud - Bell kreeg in 1876 zijn patent - en Robida voorziet al televisie, maar Nipkow zou pas een jaar na het verschijnen van deze roman de lijnaftasting uitvinden. Het is wel kabeltelevisie, want hij moest nog twaalf jaar wachten op de draadloze telegraaf van Marconi. Maar in hetzelfde jaar 1895 dat Conrad Röntgen de X-stralen ontdekte, tekende Robida al voor het blad `la Vie Parisienne' onmiddellijk een reeks karikaturen waarin het röntgenapparaat een huis doorlicht, een brandkast, een portefeuille, dromen, en iemands hart. Profetisch is het prentje waarop een douanier een koffer inspecteert met behulp van X-stralen. Wat Robida onderscheidt van Verne is dit: bij hem is de techniek een gegeven. Geen spoor van wetenschappelijke didactiek. Tegelijk is zijn werk stevig verankerd in de 19de-eeuwse realiteit, waardoor zelfs het meest bevreemdende vertrouwd wordt en het meest vertrouwde vervreemd raakt. Een bekend procédé uit de 19de-eeuwse fantastische literatuur. In 1887 schrijft Robida een profetische roman: La guerre au xxe siècle. Alles wat hij daarin bedenkt is in de eerste wereldoorlog al werkelijkheid. Hij was, als karikarist, meer een ziener dan Jules Verne. Terwijl in Europa de voorspellers van de toekomst van groot pessimisme getuigden, verscheen in de Nieuwe Wereld een utopie die enorme invloed moet hebben gehad: De Amerikaan Edward Bellamy (1850-98) schreef in 1888 Looking Backward: 2000-1887, beroemd, in 10 jaar meer dan miljoen exx. In Nederlands: Het jaar 2000. Utopie over industriële reorganisatie, een ideale wereld anno 2000. Een roman. De nieuwe maatschappelijke en industriële orde gezien door de ogen van ene Julian West, een Bostonian die in 1887 in een hypnotische slaap is gebracht, waaruit hij door omstandigheden niet eerder wordt gewekt dan 112 jaar later. In 2000 dus. Toekomst van 2000 geconfronteerd met heden van 1887. Aanval op bestaande maatschappij. Unieke Amerikaanse utopie van een bureaucratisch staatskapitalisme in een maatschappij waar economisch individualisme is uitgebannen, met als gevolg evenveel welvaart, gezondheid en geluk voor alle mensen. Er zijn geen winkels, geen banken. Alleen hier en daar een groot gebouw dat het midden houdt tussen een Makro en een Kijkshop. Men bekijkt er monsters, doet zijn bestelling en de goederen worden per buizenpost aangevoerd. Het geld is afgeschaft. Iedereen krijgt jaarlijks naar rato van zijn aandeel in het nationale produkt een bepaald bedrag te besteden. Met zijn Credit Card (Bellamy gebruikt inderdaad de term Credit Card), een knipkaart. De industrie, de produktie, de hele maatschappij is op militaire leest geschoeid. Zoals men kon opklimmen van soldaat tot generaal, zo kan een arbeider het langs de hiërarchieke weg het eventueel brengen tot president van de Verenigde Staten. De vrouwen hebben een eigen leger, zij vormen een ongevaarlijke staat in de staat. Bellamy houdt zich nauwelijks bezig met een zich ontwikkelende techniek. Bij hem zijn alleen de huizen groter, de steden groter, maar de mensen lijken zich uitsluitend te voet voort te bewegen. Als het regent onder schuifdaken die de trottoirs overdekken - paraplu's waren uitingen van het verderfelijke negentiende-eeuwse individualisme. De enige nieuwigheid is de telefonische radiodistributie. Hij voorziet ook de eerder genoemde warenhuizen van muziek - in dat opzicht is zijn voorspelling bewaarheid. Hij merkt op dat `als we de mogelijkheid hadden alle mensen van muziek te voorzien in hun eigen huizen, muziek van volmaakte kwaliteiit en passend bij elke stemming, dat we dan de grens van het menselijk geluk hadden bereikt en niet meer zouden streven naar verdere verbeteringen'. De cultuur is bij Bellamy het voornaamste consumptieartikel. Op een gegeven moment het jaar 2000 gaat hij slapen, en daarna wordt hij wakker in 1887. Het was allemaal maar een droom. Hij staat op, loopt door Boston en beziet zijn eigen tijd vol afschuw. Alleen een militaire parade kan hem bekoren: `Er kwam een regiment voorbij. Het was het eerste moment op die treurige dag dat bij me andere emoties teweeg bracht dan medelijden en verbijstering. Het heerste eindelijk orde en rede, een vertoon van wat intelligente samenwerking kan bewerkstelligen.' Aan het eind van het boek blijkt juist dat de droom te zijn, en de wereld van 2000 de ideale werkelijkheid. Wat gelegenheid geeft tot een happy ending: In zijn nawoord schrijft hij: Looking backward was geschreven in het geloof dat de Gouden Eeuw vóór ons ligt en niet ver van ons. Onze kinderen zulklen die zeker meemaken, en wij ook, wij die al mannen en vrouwen zijn, als wij het verdienen met ons geloof en onze werken.' De totalitaire gemeenschap die voor Bellamy een utopie was, is voor de mensen van de twintigste eeuw een nachtmerrie gebleken. Zo slaat alsnog zijn optimisme om in ons pessimisme. Om Bellamy's ideeën te verbreiden werden er meer dan 140 `Nationalist clubs' gevormd. Twee kranten, de Nationalist en Bellamy's eigen New Nation. Ook in andere landen Bellamy-bewegingen. Geleidelijk opgeheven, naar het lijkt. Alleen in Nederland, vooral in Friesland, waar het krantje Welvaart voor allen / Recht voor Allen nog steeds wordt uitgegeven en waar de laatste leden wanhopig zoeken naar geestverwanten in het buitenland. Cherry Duyns lang geleden een tv-film: Vergeelde Toekomst. Ik betwijfel of deze laatste aanhangers het boek van Bellamy gelezen hebben. Want in het laatste nummer, derde kwartaal dit jaar, op Internet, lees ik dat `Bellamy's sombere toekomstvoorspellingen in onze tijd bewaarheid zijn'. Bellamy's ideeën moeten, gezien de enorme oplage van Looking Backward, wel invloed hebben gehad op bepaalde ontwikkelingen, en niet alleen doordat hij de credit card en de hypermarché heeft uitgevonden, maar ook op maatschappelijk gebied, al is dit niet aan te tonen. De communistische heilstaat is duidelijk voorbeeld, al moest Bellamy niets van de rode vlaggen en stakingen hebben (hij meende dat de veranderingen vanzelf zouden komen) en al trokken de communisten hun neuzen op voor de in hun ogen veel te softe Bellamy-bewegingen. In 1886 schrijft Verne Robur de Veroveraar, die te midden van de strijd tussen aanhangers van het lichter dan lucht, de ballon, een soort helikopter heeft uitgevonden. Daarmee ontvoert hij drie Amerikanen, aanhangers van de ballon, om de superioriteit van zijn theorie te bewijzen. Maakt met hen reis om de wereld. Was 'zijn tijd vooruit'. In 1904 neemt Verne dat thema weer op en maakt hij van R een satanische gek in Maître du monde. R wil heerser zijn over de wereld, heeft machine gemaakt die boot, onderzeeër, auto en vliegtuig is. Le comble de l'automobilisme. Zaait dood en verderf in VS en verdwijnt met zijn duivelse uitvinding in de Niagara. In 1892 Château des Carpathes: projektie, telefoon, zangeres Deze illustratie met een heer die kan zappen over drie kanalen, een met nieuws, een met theater en een met correspondentie - ik vermoed dat het hier om e-mail gaat - komt uit een werk van de astronoom Camille Flammarion, schrijver van populair-wetenschappelijke werken. Dit boek, La fin du monde, dateer uit 1894. Het einde van de wereld ziet Flammarion pas in een zeer verre toekomst, al wordt de wereld in de vijfentwintigste eeuw getroffen door een komeet. Pas daarna gaat voor Flammarion een nieuw technologisch tijdperk in. In de dertigste eeuw telt de aarde drie miljard bewoners - maar nu zijn het er al bijna zes miljard. In die dertigste eeuw zijn alle landen republieken, alleen in Rusland heerst nog steeds een tsaar. In die tijd is er eindelijk een kanaaltunnel. De Zuiderzee wordt drooggelegd. Alles is bij hem elektrisch, de rokerige spoorwagons zijn vervangen door sierlijke elektrische luchtschepen. Geen woord over de automobiel van Benz, die in de eigen tijd dat hij dit boek publiceerde al negen jaar rondreed. Dat zou dertig jaar later anders worden: dan voorspelt men in Duitsland het eind van de spoorwegen, terwijl in Amerika de gagagehouders zich voorbereiden op de verkoop van vliegtuigjes. Ook de televisie wordt bij hem pas werkelijkheid in die dertigste eeuw. Bij Robida's prentje met de zappende heer staat te lezen: `Alle bewoners der aarde konden telefonisch met elkander verbonden worden. Door middel van de telefonoskopie kon men de meest merkwaardige of meest belangrijke gebeurtenissen op de gehele aarde zien. Eene toneelvoorstelling te Chicago of Melbourne kan op alle plaatsen der aarde worden gehoord en gezien. Door op eenen knop te drukken, kon men naar willekeur telkens eene andere toneelvoorstelling volgen. Een stroomwisselaar bracht onmiddellijk verbinding tot stand met iedere plaats op aarde, en men kon dan de bajadères op Ceylon of Calcutta van uit zijne woning volgen.' Het is opvallend dat de uitvinding van de film, die een jaar na het verschijnen van dit boek van Flammarion werd gerealiseerd door de gebrs Lumière, en die al enige tientallen jaren in de lucht zat, kennelijk minder tot de verbeelding van de negentiende-eeuwse futurologen sprak dan die van de televisie, waarvoor zij al talrijke namen hadden bedacht: téléphote, radioscope, radiovision, telephone eye. 1876 Bell telefoon. Beeldtelefoon. Telecommunicatie versus amusement. Kabeltelevisie 'De uitvinding van de telefonoscoop werd uitermate gunstig ontvangen; het apparaat werd, na bijbetaling, bevestigd aan de telefoons van iedereen die het aanvroeg. De toneelkunst ging een grote bloeiperiode tegemoet (...) de theaters kregen behalve hun vaste aantal toeschouwers een hoeveelheid toeschouwers thuis, die met het theater in verbinding stonden via telefoonleiding (...) vijftigduizend toeschouwers niet alleen in Parijs maar in alle landen van de wereld.' Het apparaat 'bestond uit een glazen plaat in een kast', een televisietoestel dus. 'De toeschouwer gaat ertegenover zitten, kiest zijn theater, brengt de verbinding tot stand en de voorstelling begint.' Wanneer vader achter bhet toestel in slaap is gesukkeld tijdens een vertoning van Corneille's Les Horaces, zegt een van zijn dochters: 'Als we nog een heel bedrijf moeten zien, vallen we allemaal in slaap... Zullen we een ander theater kiezen?' Een andere dochter stelt voor, ai te stemmen op een van de theaters die verboden zijn voor de jeugd. 'Le Palais Royal! Ik heb getrouwde vriendinnen die geen stuk overslaan in het Palais Royal of het Variététheater.' Ze kiezen het Palais Royal, waar De laatste vriigezel wordt vertoond. Oh la la! Maar vader wordt wakker en ontdekt wat ze hebben aangezet. 'Later misschien, als jullie getrouwd zijn en jullie mannen vinden het goed, maar nu niet... dit is niet geschikt voor jonge meisjes... maar... kijk eens aan, ik vergis me niet, daar in die loge links zit jullie broer Philippe!' Altijd worden oude, analoge termen gebezigd om nieuwe technologie mee te duiden. Ook bij Robida, waar het wemelt van de benamingen van scheepjes en schepen voor luchtschepen. En ook later nog, zodat automodellen nu nog steeds worden aangeduid met benamingen voor koetsen en koetsjes: sedan, cabriolet, limousine, coupé. Het is duidelijk, de futurologen gaan een onzekere toekomst tegemoet. Wie zich nu nog aan een voorspelling over de komende eeuw waagt, is een onbezonnen waaghals. De meeste toekomstvoorspellingen waarin de technologie een hoofdrol speelt, berusten op de gedachte dat de dingen blijven zoals ze zijn, alleen versterkt, op grotere schaal. Ze zeggen meer over de eigen tijd van futurologen zelf dan over hun onzekere toekomst. Een eeuw geleden stelde men zich voor dat de bestuurbare luchtballon, toen het nieuwste van het nieuwste, het voornaamste vervoermiddel van onze tijd is. In onze tijd stelt met zich heel wat voor bij Virtual Reality, bij de illusie die niet meer van de werkelijkheid valt te onderscheiden. Vermoedelijk is dat over minder dan een eeuw, over vijfentwintig jaar even aandoenlijk ridicuul. Bij een onderzoek gehouden onder zeshonderd studenten, tekenden zij de toekomst zoals zij zich die voorstelden. Meer dan de helft tekende computers en robots in blokkendooshuizen, wolkenkrabbers en koepels, in troosteloos kale landschappen. Een onmenselijke wereld. Op de meeste tekeningen kwamen geen mensen voor. In een ander project werd een bijna even groot aantal jonge mensen uit uiteenlopende milieus gevraagd hun utopie af te schilderen en te zeggen hoe ze zouden willen dat de wereld van de toekomst eruitzag. De ene utopie was een wereld zonder grenzen, zonder grenzen van standsverschillen, welstandsverschillen, naties en politieke stelsels. De andere was een heldere, schone groene wereld met helder blauwe oceanen.