Schitterend onheil en knus afgrijzen Van onbeschrijflijke ontzetting naar vage verontrusting In 1674 publiceerde Boileau niet alleen zijn L'art poétique, maar ook een vertaling van het boek over het sublieme dat vermoedelijk in de eerste eeuw na Christus werd geschreven door een auteur die gewoonlijk de pseudo-Longinus wordt genoemd. Dit boek handelt over retorica. Met het sublieme, het verhevene bedoelde de schrijver een vorm van retoriek waarin de nadruk niet lag op de overredingskracht van de spreker of schrijver maar op diens vermogen de toehoorder of lezer in vervoering te brengen. Het grootse, verhevene was een zaak van retorische, artistieke macht. Boileau's vertaling trok aanvankelijk niet veel aandacht, maar dertig jaar later publiceerde de criticus John Dennis in Engeland zijn Grounds of Criticism in Poetry, waarin hij de terminologie van Longinus voor het eerst toepaste op een esthetica van het sublieme. Sinds 1681 was er een theologische strijd gaande over de oorspronkelijke vorm van de aarde. Thomas Burnet, hofpredikant van de Engelse koning William III, had in zijn Telluris Theoria Sacra, Heilige theorie van de aarde, op grond van een bijbelpassage gesteld dat de aarde voor de zondvloed vlak was, harmonisch. Daarna, toen de wateren uit het binnenste der aarde als gevolg van Gods toorn omhoog waren gekomen, hadden zij grote verwoestingen achtergelaten in de vorm van hoogten en diepten, rivieren en zeeën. Sindsdien is de aarde zonder orde, zonder regelmatig patroon. Geen werk van de natuur, zoals die oorspronkelijk bedoeld was, maar een grote ruïne. Paradoxaal genoeg voelde Burnet zich op een vreemde aangetrokken door bergen en oceanen, waarmee God zich toch had gewroken op de mensheid. "The greatest Objects of Nature are, methinks, the most pleasing to behold; and next to the Great Concave of the Heavens and those boundless Regions where the Stars inhabit, there is nothing that I look upon with more Pleasure than the wide Sea and the Mountains of the Earth." Hij voelde zich meegesleept door de grootsheid van de natuur, maar hij maakte een scherp onderscheid tussen de wijze waarop hij schoonheid ervoer en de emoties die de overweldigende natuur bij hem wekten. Die hoge, onregelmatige bergen waren niet mooi, maar ze wekten ontzag en bewondering als voor God. Veel theologen waren het met hem oneens. Ze beschouwden de woeste natuur als een van Gods grootste wonderwerken. Juist door het controversiële van zijn 'heilige theorie' trok Burnet de aandacht van schrijvers en dichters als Addison, Young, Wordsworth en Coleridge. Volgens sommige auteurs heeft Burnet meer invloed gehad op het romantische gedachtengoed dan de theoretici van het sublieme. Het was John Dennis die in zijn Grounds of Criticism de terminologie van Longinus voor het eerst toepaste op een esthetica van het sublieme, en die een scherp onderscheid maakte tussen wat hij als schoon ervoer en het verhevene. Dennis was de eerste die het sublieme associeerde met Terror, een begrip waarop ik straks terugkom. Hij bedoelde daarmee religieus ontzag. Vreze Gods. Hij gaat in op de verhandeling van Longinus en spreekt in dat verband van Enthousiastic Terrour en Enthousiastic Passion. Enthousiasm in de betekenis van vervoering. Hoe machtiger en gevaarlijker iets is, des te groter is de schrik die het teweeg kan brengen. En wat levert groter schrik dan het denkbeeld van een toornige God? Dennis citeert een passage uit de Ilias, waarin de woede van de goden wordt afgeschilderd. Die passage is meeslepend, leidt tot een zekere 'admiration mingled with astonishment and with surprise'. Geen passie is heviger dan Enhousiastic Terrour, geen passie wordt onthaald met groter vreugde. EN NU KOMT HET: Dit extatische ontzag, deze vreze 'proceeds from our reflection that we are out of Danger at the very time that we see it before us'. Dus schrik die gepaard gaat met de rede, het verstandelijk inzicht dat we geen werkelijk gevaar lopen. Alle voorbeelden van Longinus van verheven gedachten, zijn verschrikkelijke (terrible) denkbeelden. Het zijn vooral denkbeelden die de lezer meeslepen en een zekere Bewondering teweegbrengen gemengd met Verbazing, Verrassing. Ze moeten wel gepaard gaan met Bewondering omdat alles wat verschrikkelijk is, voor degene die het als verschrikkelijk ervaart, groots is; en ook met verrassing, want alles wat verschrikkelijk is, is ook wonderbaarlijk en verbazingwekkend; en omdat Terrour misschien de hevigste van alle hartstochten is, moet het wel zoveel indruk maken dat we het niet kunnen weerstaan en dat het nauwelijks teniet gedaan kan worden. En geen hartstocht wordt met groter vreugde onthaald dan Enhousiastic Terrour, want die ontstaat doordat we tegelijk beseffen dat we buiten gevaar zijn.' Acht jaar later voegt Joseph Addison er in The Spectator aan toe dat het sublieme te maken heeft met formaat. Hij bezigt overigens niet de term sublime, maar spreekt van the great, the unlimited, the majestic, the stupendous. Als voorbeelden noemt hij zowel het open landschap als de woestijn, het gebergte, rotsen met afgronden, de ziedende oceaan, een donderende waterval. Daar worden we niet gefrappeerd door schoonheid maar met ruwe grootsheid, die de toeschouwer overweldigt. En omdat onze verbeelding greep wil krijgen op alles wat te groot is om het te omvatten, neemt ze dat in zich op, wordt ze ermee vervuld. Addison is niet van mening dat het grootse verschrikkelijk zou zijn, hij houdt het op aangename verbazing. Het beroemdste boek over het sublieme werd in 1756/7 gepubliceerd door Edmund Burke: Inquiry into the origin of our ideas of the sublime and beautiful. Bij hem is de schrik, de Terror wel het leidende beginsel van het sublieme. Maar als terror niet leidt tot vernietiging van de persoon, kan hij genot verschaffen. Hetzelfde geldt voor pijn. De machtigste hartstochten hebben te maken met het behoud van de individu: pijn, ziekte, dood, gevaar. Schrik is een vorm van zelfbehoud. ' De door het grootse en sublieme in de natuur teweeggebrachte passie is Astonishment, en Astonishment is die toestand van de ziel waarin al zijn bewegingen zijn opgeschort door een zekere mate van schrik. In dit geval is de geest zozeer vervuld van wat hem bezighoudt dat hij niets anders kan toelaten.' Het schone brengt genot, werkt ontspannend, het sublieme brengt pijn, werkt spannend ook in fysiologische zin. Vrouwelijke schoonheid, zegt Burke, is ontspannend, mannelijke kracht is spanning. Het sublieme is nu een esthetische categorie met een sekse geworden. Later, in 1790 voert Kant dat - in zijn Kritik der Urteilskraft nog verder door. Voor hem is de dag schoon, de nacht subliem, het land schoon, de zee subliem, vrouw schoon, de man subliem. Bij Kant ligt het wezen van het sublieme in een hiaat, een Abgrund waarin de rede wijkt. De voorstelling van het kolossale, het grootse, is volgens hem alleen mogelijk op een kortstondig moment dat de rede wijkt voor de verbeelding alvorens weer op krachten te komen. Tijdens dit hiaat vindt het sublieme plaats. Het is tijdloos en lijkt oneindig. Natuurverschijnselen, zegt hij, 'noemen we Verheven omdat ze ons verheffen boven de middelmaat en ons een vermogen verschaffen waardoor we het kunnen opnemen tegen de schijnbare almacht van de natuur. Kort na Burke schrijft Alexander Gerard in An Essay on Taste: 'Die objecten zijn subliem die kwantiteit bezitten of uitgestrektheid, en eenvoud tezamen… Wanneer zich een groot object voordoet, vergroot de geest zich tot het formaat van dat object en raakt vervuld van één grote sensatie, die het geheel in beslag neemt, het tot plechtige bezinning brengt en het treft met diepe, stille verwondering en bewondering; de geest doet zo'n moeite zich uit te breiden tot de dimensies van zijn object dat het zijn gestel verlevendigt en kracht verleent: en wanneer hij de tegenstelling te boven is gekomen die erdoor is veroorzaakt, stelt hij zich voor dat hijzelf aanwezig is in elk onderdeel van het tafereel dat hij aanschouwt; en het gevoel van dit immense wordt een gevoel van nobele trots, en een verheven opvatting van de eigen vermogens." Dit is belangrijk: wat de personages overkomt, is in eerste instantie niet aangenaam, maar de sublieme ervaring is: schrik, waar bevrijding op volgt. Het eindresultaat van het sublieme is aangenaam. Voor lezer en schrijver wordt griezelen genieten. The Castle of Otrano van Horace Walpole, uit 1764, wordt beschouwd als de eerste gothic novel. Walpole schreef in een voorwoord dat hij een verzoening op het oog had tussen de oude, fantasievolle, maar onwaarschijnlijke romance met de nieuwe waarin zowel de natuur als het dagelijks leven een rol spelen. 'De natuur wreekt zich, na volkomen uitgesloten te zijn geweest uit de ridderromans'. Hij speelt ernstige, vaak zwaarmoedige helden en vorsten uit tegen hun knechten, die hun gevoelens op een meer alledaagse manier uiten. En daarmee stelt hij het naïeve tegenover het sublieme, waarmee het pathos van de edelen meer reliëf krijgt. Wat de vrees aangaat: 'Een God, or minstens een geestverschijning , was absoluut noodzakelijk om ons uit teveel gezond verstand op te schrikken.' Maar uiteindelijk levert het verschrikkelijke een aangename ervaring op. In 1773 schrijven de gebroeders Aikin een essay On the Pleasure derived from Objects of Terror en een Inquiry into those Kinds of Distress which excite agreeable Sensations. De Italiaanse dichter Ippolito Pindemonte geeft die ervaring concreet weer in zijn gedicht La Notte (1788): (...) Maar hier op deze rots, waar ik geen mens zie Zit ik, verlaten, als een Heer der Wereld. (...) En op de frisse nachtelijke lucht Vliegen de zoete Kalmte, mooie Rust, Geesten die slapen overdag En waken willen onder duistre luchten En heimelijk zwijgzame Vreugden, bedachtzame Genoegens lichtvoetig maken: En onderwijl ligt over heuvelland en vlakte Die mooie gruwel die behaagt door droef te maken. Hoe prent melancholiek genot zich Diep in de ziel die in vervoering raakt! Hoe liefelijk en tegelijk subliem van aanzien Is 't groots theater waar ik me bevind! Quell'orror bello che attristando piace! Die mooie gruwel zien we terug in de roman Manuscrit trouvé à Saragosse van de Poolse schrijver Jan Potocki: Daar zegt een zigeunerhoofdman tegen de hoofdpersoon: 'Als u belangstelling hebt voor een reis door deze bergen, beloven wij dat we u zowel de mooiste als de afschrikwekkendste dalen zullen laten zien, de lieflijkste plekjes met vlak daarnaast de zogenaamde mooie gruwelen...' GOTHIC De gruwel, al of niet mooi, is het hoofdbestanddeel van de gothic novel. Maar hier gaat het minder om het sublieme, het hoge, maar om het diepe, het infieme. De vaste bestanddelen zijn, wat de mensen aangaat een katholieke of feodale gemeenschap waar op de voorgrond een gevoelige heldin en haar onstuimige geliefde staan, die worden bedreigd door een tyrannieke oudere man met een doordringende blik. Vaak een monnik of priester. Hij gaat hen verkrachten cq vermoorden. Men spreekt wel van de sublieme misdadiger by Byron (The Giaour), Walpole, Hoffmann, maar dan woord het woord subliem toch in een andere betekenis gebruikt dat die welke in de achttiende eeuw werd gedefinieerd. Verder verschijningen in menselijke gedaante: spoken, dubbelgangers, kunstmensen, vampiers (Goethe 1797, Polidori 1819). Verschijningen uit het verleden, Faust, de Wandelende Jood, De entourage: een woest landschap, een klooster, de ruïne van een abdij of kasteel, onderaardse ruimten, grafkelders, nachtelijke landschappen, een knekelhuis, een gekkenhuis. In de plot worden mensen levend begraven, er worden geheime familiebanden ontdekt, er is sprake van ongewilde incest, van schuld en schaamte, van dromen en hallucinaties, er klinken onnatuurlijke echo' of het is onnatuurlijk stil, er worden onbegrijpelijke geschriften gevonden die vaak op hun beurt een plot bevatten, verhalen in verhalen. En er is het onuitsprekelijke, (vaak niet met name genoemde maar wel gesuggereerde homoseksualiteit. De gotische retoriek berust op effectbejag. Psychische processen worden geprojecteerd op hun omgeving, in tegenstelling tot de latere fantastische literatuur, de literatuur van het unheimliche, waar de psychologie meer expliciet wordt. Maar het griezelen is intussen heel aangenaam geworden, de woeste natuur met hier en daar een ruïne die sublieme huiver had geboden, leidde tot nabootsing. De schrijvers van de eerste gothic novels, Walpole (Otranto) en Beckford (Vathek) waren zo geobsedeerd door ruïnes dat ze ze zelf op hun landgoederen gingen bouwen. Beckfords abdijruïne Fonthill, een fantastisch gebouw, grandioos onecht, met een toren van 137 meter zonder fundament die na enige decennia onder zijn eigen gewicht bezweek. Walpoles bijdrage aan de gothic architectuur was het beroemde pseudo-gotische kasteel Strawberry Hill. De gotische rage leverde tal van 'follies' op, bouwsels die geen andere functie hadden dan sieren en opvallen. Ook de woeste natuur moest worden nagebootst. De eerder genoemde dichter Ippolito Pindemonte beschreef dat in zijn gedicht 'De Engelse tuinen': Doorkijkjes, onverwachte taferelen, bospaadjes, grotten, schaduwen, doodstille beekjes, kleine neerklaterende watervallen, en (ik citeer letterlijk) 'steilten vol sublieme huiver'. Naast het Schone, het Sublieme, het Verontrustende, Unheimliche, Uncanny, en het Groteske was in de tweede helft van de achttiende eeuw het Pittoreske een belangrijke categorie. Oogverblindende effecten, snelle opeenvolging van kleuren, licht en schaduw, ruwheid, plotselinge verandering, onregelmatigheid, het zijn de effecten, die samengaan met een aantal clichés: een hut in de schaduw van een knoestige eik, met een oude zigeuner, een roestkleurige ezel. Zachte tinten, duistere schaduwen Counterfeit neglect (sprezzatura) De schrijver Uvedale Price schreef een komische dialoog over het pittoreske: Distinct characters of the picturesque and the beautiful. Zo wordt een schele domineesdochter met onregelmatige tanden beschreven als uiterst pittoresk. De kunstenaar en dominee Rev. William Gilpin somt op wat naar zijn mening pittoresk is: 'Door de bliksem getroffen bomen, steile hellingen, rotsachtige kloven, rottende boomstronken waren passender voor de natuurlijke tuin dan de enorme, golvende winden waren met accenten van bosjes dicht opeen geplante bomen.' Aanvankelijk bood de gothic nog wel gelegenheid tot beschrijvingen van sublieme ervaringen die bevrijdend werken. In The Italian, de roman die Ann Radcliffe in 1791 publiceerde, wordt de heldin Ellena door schurken ontvoerd en in koets naar afgelegen klooster inde Abruzzen gevoerd. Ze bezwijkt bijna onder de onverdraaglijke hitte, en smeekt of er een raampje open mag. De mannen hebben daar zelf ook behoefte aan, maar ze trekken de blinden zo omlaag dat ze alleen een glimp kan opvangen van de bergen. 'Ze zag alleen bergtoppen en enorme steilten van marmer in verschillende tinten, afgewisseld door schaarse begroeiing zoals miezerige denneboompjes, dwergeiken en hulst, die een donkere toets verleenden aan de kleurige rotsen en zich soms in donkere massa's uitstrekten tot in de diepe dalen die, omdat zich een weg baanden tot waar het duister was, nieuwsgierigheid leken op te wekken om te onderzoeken wat zich daarachter bevond. Onder deze steile hellingen strekte zich het sombere gebied met de olijfbomen uit, en nog lager verzonken rotsachtige steilten tot in de vlakte, met terrassen die bekroond waren met wijnranken en waar de kunstmatig geëffende bodem was volgestouwd met jeneverbes, granaatappelboompjes en oleanders. Nadat Ellena zo lang in de duisternis opgesloten was geweest en had moeten tobben over de verontrustende omstandigheden waarin ze verkeerde, ondervond ze nu voor korte tijd, al was het zwakjes, troost door nog eens de natuur te aanschouwen; totdat ze - weer wat opgeleefd en zich opgeheven voelend door de grootsheid van wat ze om zich heen zag - bij zichzelf zei: 'Als ik veroordeeld ben tot ellende, zou ik die zeker met meer kracht kunnen verdragen te midden van taferelen zoals dit dan omringd door de kalmere landschappen van de natuur! Hier lijken de dingen iets van hun eigen kracht, van het sublieme dat hun eigen is, over te brengen op de ziel. Het is bijna niet mogelijk te bezwijken onder de druk van het ongeluk terwijl we, als met de Godheid, wandelen te midden van deze wonderwerken.' The Italian was Radcliffes antwoord op het beroemde boek van Matthew Lewis, dat het jaar daarvoor was verschenen. In een later gepubliceerd essay On the supernatural in Poetry gaat ze in op het verschil tussen Horror, die ze aantrof bij Monk, en Terror, die ze in haar eigen romans nastreefde: 'Het samengaan van grandeur en obscurity, door Burke beschreven als een soort kalmte doordrenkt met vrees, waardoor het sublieme wordt veroorzaakt, is alleen te vinden in Hamlet, of in taferelen waar soortgelijke omstandigheden heersen (...) Terror en Horror zijn elkaars tegengestelden, Terror verruimt de ziel en schenkt vitaliteit, Horror doet ineenkrimpen, bevriest de vitaliteit en doet ze bijna teniet. Horror is geen broer van het sublieme, Terror wel.' Terror, zoals die te vinden is bij Walpole en Radcliffe, berust op onzekerheid, angstig voorgevoel, suspense. Horror doet, bij Lewis, Beckford (de gruwelroman Vathek), Maturin en Mary Shelley (Frankenstein), de volgens Radcliffe mogelijkheid van respons bij de lezer vrijwel teniet door een ondubbelzinnig vertoon van gruwelen. Bij Terror alleen de geur van de dood, bij Horror struikel je over een lijk, Terror brengt verontrusting, Horror is een frontale aanval met macabere ingrediënten, Terror brengt een ongrijpbare, psychische vrees met zich mee, Horor is realistisch, levert fysiek afgrijzen op, moord, foltering, verkrachting. Het lijkt op het huidige verschil tussen de thriller en de actiefilm. Radcliffe veronderstelde dat de lezer die gruwt zich zal afsluiten voor de sublieme gevoelens die gewekt kunnen worden door de mengeling van pijn en genot die wordt opgewekt door de vrees. Auteurs van horrorliteratuur verdedigen hun genre met het argument dat de gebeurtenissen, als ze psychologisch consistent zijn, de lezer onherroepelijk betrekken bij de handeling, zelfs in weerzinwekkende situaties. Ambrosio, Victor Frankenstein en Melmoth zijn mannen met bijzondere capaciteiten, die door omstandigheden boosaardige doelen gaan nastreven. Niet zomaar monsters. De lezer identificeert zich met de booswicht. Al overschrijdt Radcliffe zelf dikwijls de grens tussen terror en horror, ze geeft voor de angstaanjagende verschijnselen dikwijls een natuurlijke verklaring, die bevrijdend kan werken, zodat de Terror bij haar inderdaad verwant is aan het sublieme. Sinds de tweede helft van de achttiende eeuw was het gebergte minder afschrikwekkend aan het worden. Geleidelijk verandert de sombere Mountain Gloom in Mountain Glory, om de titel aan te halen van een boek van Marjory Hope Nicolson uit 1959. Maar vooralsnog blijft het gebergte wel overweldigend. In de schilderkunst zijn de mensen afgebeeld als nietig ten overstaan van het natuurgeweld. Hoe zijn die verhoudingen overgebracht in de literatuur? William Wordsworth, die verklaarde dat hij in het Lake District was opgegroeid 'fostered alike by beauty and fear', formuleerde in zijn gedichten en essays een nieuwe houding ten opzichte van de natuur. Het was meer dan het beschrijven van natuurtaferelen, het mondde uit in een nieuwe kijk op de organische relatie van mens en natuur, en het culmineerde in metaforen van een huwelijk tussen de natuur en de menselijke geest, en uiteindelijk in de metafoor van de natuur als embleem van Gods geest, een geest die 'zich voedt met oneindigheid' en 'broedt boven de afgrond'. In zijn gedicht Lines written a few miles above Tintern Abbey staan deze regels: Ik heb geleerd Natuur te zien, niet zo als in mijn jeugd Zo onbezorgd; maar met vaak in het oor Des mensen stille, droevige muziek, Niet scherp of krassend, maar wel luid genoeg Voor temperende loutering. Ik heb gevoeld Iets dat aanwezig is en me verwart met vreugd Bij 't denken in verhevenheid; subliem gevoel Van iets dat dieper is doordrongen, En woont daar waar de ondergaande zonnen, En ronde oceanen zijn en levend licht, En blauwe lucht, en in des mensen geest, Ontroering en een geest die in beweging zet Alles wat denkt en alles wat gedacht wordt, En wentelt door al wat bestaat. In Excursions, Despondency Corrected (Excursies, moedeloosheid gecorrigeerd, geeft de nietige mens zich over aan het natuurgeweld: De Eenzame, strelend richtte hij zijn blik Omhoog naar de heuvels:-- een soortgelijk gevoel Doorstroomde mij, en wekte deze woorden: "O! wat een vreugde zou het zijn, Een lichaam te bezitten, krachtig, gezond, Om 't aan de elementen prijs te geven Als ware het een geest! - Hoe goddelijk De vrijheid voor de sterfelijke mens Om vrijelijk te zwerven door verlaten dalen Schuilplaatsen in de bergen, slechts betreden Door een verdoolde voetstap; streken gewijd Aan d' alleroudste tijden! En in stormen Die raven binnen houden in hun nest, Roekeloos aanwezig te bewegen - één Onder de velen daar, terwijl de mist Die vliegt, en regendamp, gestalten vormen, En geestverschijningen uit de aarde en de rots; Zo snel als muzikanten uit hun instrument Hun klanken doen weerklinken; en terwijl rivieren (Als nog maar net geschapen en vol ongeduld Om hun nog niet beproefde kracht te meten) Neerdalend uit de regionen van de wolken, En uit de holten van de aarde komend, Elk ogenblik meer in getal, hun wegen Voor zich banen - hoe vreugdevol is het Als hun gelijke door die energie te zwerven; En soms wellicht met duidelijke stem, Temidden van het oorverdovende tumult, Onhoorbaar haast voor wie het roept, te brullen: 'Raast door gij elementen! Laat maan en firmament Verschijnen met hun licht en op hun beurt Delen in dit tumult (hoe schadelijk 't ook is) Van dag tot nacht, van nacht tot dag, aldoor!" Bij Wordsworth is de natuur geen object. De mens laat zich overweldigen door de natuur. Hij slaakt hartstochtelijke uitroepen als gevolg van zijn extase. Hij neemt deel aan het sublieme. Het sublieme wordt dikwijls voorgesteld als oneindig groot in tijd en ruimte, en vaak geassocieerd met de idee van het oneindige. Leopardi's gedicht L'infinito, het Oneindige is daar een goed voorbeeld van. (Vertaling Ard Posthuma): HET ONEINDIGE Steeds dierbaar was mij deze stille heuvel en deze haag die voor een groot gedeelte het uitzicht op het weids verschiet belet. Ik zit te kijken en schep eindeloze verten daarachter en voor mensen niet te vatten stiltes en peilloos diepe rust in mijn verbeelding; bijna slaat de schrik me om het hart. En begint de wind te ruisen door deze takken, weeg ik het contrast tussen zijn stem en die immense stilte. Ik voel mij aan de eeuwigheid herinnerd, de reeks dode seizoenen, aan wat nú leeft en de klank daarvan. En zo, in deze onmetelijkheid, verdrinken mijn gedachten: en zoet is het vergaan in deze zee. Schrik en opgaan in het sublieme schouwspel. Vergaan in deze zee. In de Duitse romantiek van het begin van de negentiende eeuw weerspiegelt de natuur nog evenals in de gothic novel de stemmingen van de personages. Landschappen, een beek, bomen en stenen, en de afgrond worden bijvoorbeeld in het verhaal Der Runenberg van Ludwig Tieck (1801) beschreven als menselijke eigenschappen. De tegenstelling tussen het gebergte en 'het vrome, vlakke land' - zoals Tieck het noemt - is een afspiegeling van de slechte en de goede eigenschappen van de hoofdpersoon, die tot uiting komen in zijn beroepen, in de plantaardige wereld van de vrome vlakte is hij een brave en gelukkige hovenier, in de minerale wereld van het gebergte, vol verborgen maar gevaarlijke schatten, is hij een opgejaagde jager naar onbereikbare rijkdommen. Het thema van de afgrond speelt een belangrijke rol naast dat van de verhevenheid. De roman Vathek van Beckford begint met de kalief die als astroloog vanaf een hoge toren de sterren bestudeert, en eindigt in een gruwelijke onderaardse hel. De toren waarop Roderick, de astroloog in E.T.A. Hoffmans Das Majorat, zich bevindt, stort in. De held van Tiecks Runenberg verdwijnt in het ongeluk dat de onderaardse wereld hem brengt. De matroos die in Hoffmans Die Bergwerke von Falun mijnwerker wordt, belandt vanuit de open zee in de beklemmende afgrond van de mijn en komt daar aan zijn einde. De afgrond van de Duitse Romantiek, die een belangrijke rol speelt in het werk van Tieck, Hoffmann en anderen is bepaald niet bevrijdend, zoals de Abgrund van Kant, het hiaat van de sublieme ervaring, maar juist beklemmend. Het is niet de schijnbare afgrond waarop Karl Jaspers doelt wanneer hij schrijft: 'Der Sturz aus den Festigkeiten, die doch trügerisch waren, wird schweben können, was Abgrund schien, wird Raum der Freiheit.' 'De val uit de zekerheden, die toch maar bedriegelijk waren, word een vermogen om te kunnen zweven, wat een afgrond leek, word een ruimte waar men vrij kan zijn.' Het is ook niet de afgrond waarop Baudelaire doelt in 'Le voyage'": 'Plonger au fond du gouffre, Enfer ou Ciel, qu'importe, Pour trouver du nouveau, Au fond de l'inconnu.' Freud beschouwde het Unheimliche, dat hij analyseerde aan de hand van Hoffmanns verhaal Der Sandmann, als een sub-genre van Terror. Maar het is niet subliem, de huiver wordt niet gevolgd door distantie, bevrijding, en de angst, de onmacht blijft. Het is ook een ander soort Terror dan die welke Burke beschrijft: wild, exotisch, overweldigend gevaar. Het komt voor uit iets vertrouwds, en juist daardoor kunnen we ons er niet van losmaken: "Het unheimliche is in werkelijkheid niets nieuws of vreemds, maar iets dat vertrouwd is en zich sinds lang in de geest heeft genesteld en er alleen door het proces van verdringing van is vervreemd". De psychologie van het uncanny, het verontrustende verhaal is - ook al is het gevaar meer bedreigend dan agressief - meer expliciet dan in de gothic novel, waar de psychische processen worden geprojecteerd op de omgeving. Hier komt het gevaar niet van buitenaf, maar uit het innerlijk van de personages. In de loop van de negentiende eeuw wordt het onderscheid tussen de schoonheid en de terror van het sublieme teniet gedaan. De sublieme gratie van de gruwel wordt het opperste schoonheidsideaal. Schoonheid en Terror zijn verenigd tot één enkele indruk, ziekte en schoonheid zijn één, pijn en genot zijn één, angst en vreugde zijn één. Shelley schrijft na het zien van een schilderij van de Medusa in de Uffizi een gedicht waarin hij in de verstenende blik van het medusa-hoofd tegelijk gratie en gruwel ondergaat. Daaruit citeer ik de volgende regels: Its horror and its beauty are divine. Goddelijk zijn haar gruwel en haar pracht. (…) Yet it is less the horror than the grace Which turns the gazer's spirit into stone Toch is het minder gruwel dan wel gratie Waardoor degene die haar ziet versteent (...) 'Tis the tempestuous loveliness of terror Stormachtig is de gratie van de schrik (...) Het gruwelijke is een bestanddeel aan het worden van het schone. De tegenstelling tussen subliem en schoon wordt opgeheven. Toen al had de schoonheid haar gezicht verbrand. Voor Radcliffe was Horror geen broer van het sublieme. Voor Baudelaire is de gruwel er wel familie van. Een zuster. Ik citeer een paar regels uit het gedicht Les bonnes soeurs: Kist en alkoof, zij bieden vruchtbaar vloekend Om beurten, als twee trouwe zusters Verschrikkelijk genot en gruwelijke zoetheid (Later schrijft Victor Hugo over dood en schoonheid iets soortgelijks: Twee zusters beiden even gruwelijk als vruchtbaar Koesterend één raadsel, één gebaar.) In zijn 'Hymne aan de Schoonheid' schrijft Baudelaire: Komt gij uit 's hemels diepten of uit de afgrond O Schoonheid? Uw blik, infernaal en verheven, Stort zonder onderscheid weldaad en misdaad uit. Viens-tu du ciel profond ou sors-tu de l'abîme, O Beauté? Ton regard, infernal ou divin, Verse confusément le bienfait et le crime, (...) De tes bijoux l'Horreur n'est pas le moins charmant (...) Que tu viennes du ciel ou de l'enfer, qu'importe, O Beauté! Monstre énorme, effrayant, ingénu! Si ton oeil, ton souris, ton pied, m'ouvrent la porte D'un Infini que je'aime en n'ai jamais connu? Na 1860 komt de term subliem weinig voor in de 'verlichte', achttiende-eeuwse betekenis. Dan is het uncanny te vinden in het Engelse spookverhaal bij knappend houtvuur, als deel van de kerstviering. Het lijkt getemd, aangenaam en amusant. Maar het steekt een medusa-kop en is des te angstaanjagender op in verhalen waar de terror vormloos is, vaag, subtiel. Zoals in het verhaal van Dickens over een seinwachter. In What was it van Fitz-James O'Brien, in Le Horla van Maupassant en in The Turn of the Screw van Henry James. Die verhalen zijn unheimlich, maar niet bevrijdend zoals in de sublieme literatuur, niet extatisch. Ze zijn beklemmend. Ze getuigen niet van elevated thoughts, ze stijgen niet op, maar boeien in letterlijke zin.