De eerste gasten

`Toen we van het feest terugkwamen, brandde overal de verlichting. Er stond een ladder onder de kamer van de Hollander. De achterdeur was open en een van.de terrasdeuren lag aan scherven. Overal, maar dan ook letterlijk overal lag bloed. De Hollander en zijn dochtertje waren verdwenen. Het arme kind, wat zal ze niet meegemaakt hebben... Gelukkig hadden we hem vooruit laten betalen. Nee, nooit meer Hollanders.'

          Dit, of woorden van gelijke strekking, moet de nieuwe eigenaar van het hotel hebben gezegd tegen ieder die het wilde horen. Behalve aan de gendarmes.

          Nu ik, veilig thuisgekomen, niet zonder tevredenheid de helder witte zwachtel om mijn opnieuw ontsmette en verbonden voet heb bezien, kan ik een poging wagen om enigszins ordelijk verslag uit te brengen van de dramatische gebeurtenissen die zich hebben afgespeeld in een hotel in Zuid-Frankrijk en die op de Franse nationale feestdag hun climax bereikten.

          Omdat mijn dochter, die in augustus leerplichtig wordt, nog gauw uit eigen beweging een en ander wilde leren, waaronder de schoolslag, en omdat ikzelf een glimp wilde opvangen van de zon, waren we vertrokken naar het zuiden van Frankrijk. We waren niet de enigen, haast alle hotels waren vol, en zeker die met een zwembad. Maar we herinnerden ons een erg afgelegen herberg waar we twee jaar eerder een paar dagen rustig hadden kunnen baden en slapen. Vanuit Nîmes belde ik op. Een mannenstem die ik niet kende informeerde bars naar het aantal personen en het aantal nachten. En of we ook in het hotel zouden eten. Dat laatste klonk als voorwaarde, daarom antwoordde ik: `Vanavond wel, vanmiddag niet,' in het midden latend waar we de volgende twee dagen zouden eten. Want ik herinnerde me het restaurant als heel plezierig vanwege het riante, op de verdieping gelegen terras, maar matig van spijzen en naar verhouding nogal duur.

          Een kleine man met een petje ontving ons. Hij deed me denken aan een arbeider uit een olieraffinaderij in Texas. Bij het openen van de kamerdeur hoorden we beneden een harde slag, gevolgd door glasgerinkel. Zoals even later zou blijken had de tocht de voordeur dichtgeslagen. De ruit was stuk, maar stevig traliewerk maakte dat het hotel niet kon worden betreden als de deur op slot was. Helaas, moet ik nu zeggen. Op de trap ontmoetten we de vrouw die ik me van de vorige maal herinnerde als de eigenares. Na een hartelijke begroeting, met veel zoenen voor mijn wat onthutste Floortje, vertelde ze dat ze het pand zojuist had overgedragen aan de man met het petje.

          Deze had ook in zijn manier van doen iets Amerikaans. Meteen betalen voor drie nachten. Ik ontving een ansicht met een luchtfoto van het hotel, maar toen ik een kwitantie vroeg, voor drie nachten logies, wilde hij die pas geven na aandringen van de ex-eigenares.

          `Dat is heel normaal hoor, dat u klanten kwitanties geeft,' zei ze, en ze vergezelde ons naar buiten. `Ze moeten het nog een beetje leren. Het is niet netjes de gasten vooruit te laten betalen, maar dat weet hij nog niet.'

          Die middag zwom Floortje ontelbare baantjes, terwijl ik me afvroeg hoe het kwam dat er geen andere gasten in het zwembad waren. Omringd door de zorgen van de baas, een kok, een paar vrouwen die de kamers deden en een jongen die zijn best deed om voor kelner door te gaan, voelde ik me toch niet helemaal op mijn gemak. Het water was te blauw, de rust te volmaakt...

         

Totdat plotseling ergens in het hotel de hel uitbrak. Een paar maten rock-muziek van de vijandigste soort, daarna weer even plotseling stilte. Probeert men in de bar een nieuwe jukebox uit? Hier lijkt van alles te worden vernieuwd, de nieuwe baas heeft grootse plannen. Samen met de joviale kok, de beginnende kelner en nog een man is hij grote stukken roestvrij staal door een venster naar binnen aan het schuiven. Een nieuwe keuken? Wanneer Floor uit het water komt, hoor ik de baas zeggen:

          `Ik heb de tafel gedekt voor de klanten.'

          We gaan ons kleden voor het diner. Wanneer ik de deur van onze kamer open, schiet een vrouw vóór ons naar binnen. Ze kijkt rond en legt dan uit: `Ik wist niet of de kamer al gedaan was.'

         

De tafel blijkt niet te zijn gedekt op het terras of in het restaurant, op de verdieping, maar beneden in de bar. Zeker vanwege de werkzaamheden aan de nieuwe keuken. Ik vraag het menu.

          `Dat hebben we nog niet,' zegt de jeugdige kelner, die over zijn zwembroek een keurig wit hemd draagt `dit is de eerste dag, u moet begrijpen...' Ik vraag wat we kunnen bestellen,

          `Fijne vleeswaren.'

          Wat nog meer?

          `Een hardgekookt ei.'

          Akkoord, fijne vleeswaren en een ei. En daarna is er een steak met frites. Wat voor wijn hebt u? Ik zal het even vragen,' zegt de ober, en hij snelt weg. Voorlopig zal hij niet terugkomen.

          `Hebben ze 'hier geen kookboek?" vraagt Floortje, die het is opgevallen dat een menu ontbreekt.

          Dan breekt weer, heel even, de muziek los. Niet hier in de bar. Na de uithaal `Baby!' verstomt het geluid. Floortje gaat op onderzoek uit en komt terug met het bericht dat er een man in de tuin staat, ze kon hem zien door de kapotte ruit.

          `Wat is daar nou voor bijzonders aan?'

          `HIj staat daar maar en hij komt niet binnen.'

          Omdat het hier kennelijk om een enge man gaat, besluit ik te gaan kijken. Niemand te zien, ook de ober niet. Even later komt ze zeggen:

          `Hij staat er weer.'

          Weer ga ik mee, en nu zie ik tussen de struiken een man die zich snel bukt en planten uit de grond begint te trekken. Zeker de tuinman.

         

Nadat de vijfentwintig minuten zijn verstreken, ga ik de ober zoeken. Boven vind ik hem, achter de geopende deur van de kamer schuin tegenover de onze. Hij is bezig een nog schoner overhemd aan te trekken. Achter hem ontwaar ik een jongeman die ik niet meer heb teruggezien. De ober komt snel achter me aan, ik vraag hem gewoon maar wat rode wijn te brengen, en wat mineraalwater, en wat eten, Mineraalwater is er niet, U moet begrijpen...'

          De wijn is haast niet te zuipen, de plakjes worst smaken uitstekend.

          Na de steak met frites en de ananas met giftig smakende likeur vraag ik koffie en de rekening. Weer verdwijnt de ober voor verontrustend lange tijd, en weer klinken een paar maten van de dreigende muziek die op `Baby!' eindigt. Dan komt de koffie, met de schrikbarende rekening. Behalve het wel wat erg hoog getaxeerde menu is ook de kamer nog eens in rekening gebracht.   

          `Die hebben we al betaald.'

          Weer verdwijnt de vriendelijke maar onhandige kelner naar boven, om na niet al te lange tijd terug te komen met de mededeling:

          `De baas zegt dat u nog niet hebt betaald.'

          Maar ik kan het bewijzen, ik heb de bon. Daar zijn bonnen voor, voor bijna hypothetische gevallen als deze. Opnieuw gaat de ober met de baas overleggen. Hij komt terug met het bonnetje waarop de logiesprijs is doorgestreept.

         

's Nachts om half twee worden we gewekt door de harde Baby- -muziek. Zeker feest. Achterop de ansichtkaart heb ik gelezen dat men hier bruiloften kan geven, en zakenlunches en `de nuites [sic] dansantes.'

          Na een minuut houdt de muziek weer op. Om twee uur begint het opnieuw, nu zonder ophouden. Met mijn zaklantaarn ga ik op onderzoek uit  ik ken de positie van de lichtknopjes nog niet. Recht onder onze kamer bevindt zich de deur waarachter de muziek verstomt, juist wanneer ik voor de tweede keer, en heel hard, wil gaan bonzen. Een dikke jongen met een baard en een zware bril, in een kamer met, een cassetterecorder aangesloten op een stereo-installatie, en alleriei andere goederen die men gewooniijk in een hotel niet bij zich heeft.

          `Wij slapen hier boven,' leg ik hem uit. Hij lijkt stomverbaasd, maar ik hoor hem niet meer, die nacht. Ook zal ik hem niet meer zien. Is hij een gast? Tracht een rijk iemand zijn zoon voor wie hij zich schaamt, in dit afgelegen oord te verbergen?

          Omstandigheden hebben mij verhindérd inlichtingen in te winnen omtrent hem en omtrent de andere jongeman van wie ik een glimp' heb opgevangen in de kamer schuin tegenover de onze.

* * *

 

Haast kan ik het zelf niet geloven.

          Alleen mijn dochter en het keurige witte verband om mijn voet getuigen nog van wat zich aan het eind van Frankrijks nationale feestdag heeft afgespeeld in het afgelegen hotel waar wij de eerste en enige gasten waren.

          Althans de enige betalende gasten.

          De tweede dag van ons verblijf, zondag de dertiende, had iets huiselijks, ondanks enige verontrusting die te maken had met sleutels en bonnetje. Ons ontbijt werd begeleid door stoten muziek van de geheimzinnige dikke jongen. De ober vroeg of hij het bonnetje dat hij de vorige dag had gemaakt, nog even mocht zien; maar voor ik kon reageren spoedde hij zich, afgeleid door de immer vrolijke kok, ergens anders heen. Wij wilden een tochtje maken, en omdat er geen sleutelbord was, vroeg ik of het de bedoeling was dat ik de sleutel bij me hield. De ober begreep me - zoals vaker - niet zo goed en mompelde iets over een nooduitgang en een sleutel van de buitendeur die zoek was. Die sleutel was de nooduitgang. De nooduitgang was zoek, zoiets.

          Toen we 's middags terugkwamen, hadden zich rond het zwembad onverwacht veel mensen verzameld, kennelijk allemaal goed bevriend met de nieuwe eigenaar. De ex-eigenares, die in de bij het hotel behorende villa was blijven wonen, gaf een rondje Stella, en iedereen was aardig. Alleen de chef-kok deed iets te joviaal. Hij sprak me toe in een soort Engels dat ik niet verstond.

          Men prees Floortje om haar mooie ogen, en om het uithoudingsvermogen dat ze bij het zwemmen aan de dag legde. De vrouw die de vorige middag had gecontroleerd of de kamer was gedaan, zei dat men deze dag de kamer niet had kunnen doen omdat ik de sleutel (een loper) had meegenomen. Ik sprak met haar af dat ik mijn sleutel de volgende ochtend aan de ober zou geven.

         

Van achter een hek riep de baas me. Of hij het bonnetje voor de drie overnachtingen nog even mocht hebben, voor het inschrijven. Ik gaf het hem, haast  zonder  wantrouwen (iedereen was aardig) en ik kreeg het nog terug ook. Wat hij met dat bonnetje moest, begreep ik niet, er stonden alleen maar drie data op en het betaalde bedrag.

          Tegen etenstijd probeerde de baas twintig glazen op een heel klein dienblad naar binnen te brengen. Ze vielen allemaal aan scherven. Liever maar niet meer in het zwembad. Voor je het weet heb je glas in je voet. Tot mijn genoegen stelde ik vast dat het restaurant nu wél in gebruik was. Terwijl we de trap bestegen, riep de ober ons terug.

          `Wij zijn daar en famille, begrijpt u, voor u is in de bar gedekt.'

         

Weer aan het cafétaféltje gezeten vraag ik wat de pot vandaag schaft

          `Hetzelfde,' zegt de ober. `Fijne vleeswaren dus, om te beginnen,' bevestig ik. `Hebt u nog gevraagd wat er voor wijn is?"

          `We hebben rode en witte wijn.'

          `Ook in flessen?' Nee. Hier bevinden zich geen flessen wijn.

          Na enige tijd en famille te hebben vertoefd komt de ober terug met een schaal rauwkost.

          `We zouden worst krijgen,' probeer ik.

          `De chef vindt dat u vandaag maar eens iets anders moet eten.'

          `Als wij de chef tot last zijn... als hij het te druk heeft met de famlie, kunnen wij wel ergens anders gaan eten.' Na ruggespraak met de kok komt de ober bevestigen dat wij de kok inderdaad tot last zijn en dat we inderdaad beter elders kunnen gaan eten. Daar zijn we mooi van af.

         

Maar voor de uitgang staat de kok, die dreigt dat de zaak om tien uur sluit. En inmiddels is het al bijna negen uur geworden, Gelukkig bemoeit de baas zich ermee:

          `Als het later dan elf wordt en de deur op slot is,     moet u maar hard bonzen, of toeteren.'

         

Wanneer we even over elf terugkomen, is de familie nog gezellig bezig met het bekende Franse reuzenknikkerspeL We hoeven niet te toeteren of aan deuren te rammelen. Als Floortje in bed ligt, begint de familie zich over de andere kamers te verspreiden.

          Midden in de nacht vang ik flarden op van een gesprek in een aangrenzende kamer. Vaak valt het woord keuken.

         

14 juli. Feest vandaag, Alle gasten zijn al vertrokken wanneer we voor het ontbijt beneden komen. We hebben uitgeslapen, en vanavond willen we feest vieren in Sommières, waar vuurwerk is, en iets met eenden. Alles is vergeven.

          Maar 's avonds om elf uur is de deur op slot. Ik toeter, rammel aan de deur, toeter nog eens en roep, maar er komt niemand en alles is donker. In de villa die bij het hotel hoort lijkt alleen de hond thuis te zijn. Dan ga ik proberen of er een andere deur open is.

          Een van de terrasdeuren geeft van onderen mee wanneer ik aan de klink trek. Klemt zeker. Ik geef een ruk; de ruit valt aan scherven op mijn voet. Ik draag badslippers, vanwege het mooie weer. Voorzichtig naar binnen. Bij de bar haal ik twee rijen schakelaars over, zodat het hotel feestelijk verlicht is. Maar nergens zie ik een sleutel en de kamer is op slot. Ik laat een spoor van bloed achter, maar voorlopig bekommer ik me daar niet om. Floortje is bang. Ze moet hier weg. Ze moet naar bed. Ik bel de politie in het dorp. De gendarme aan wie ik de situatie uiteenzet, voert telefonisch ruggespraak met een chef en deelt mee dat hij niets kan doen. We moeten maar een ander hotel nemen.

          `Weet u wel hoe laat het is?' vraag ik.

          `Tegen half twaalf.'

          `Denkt u dat we nu' nog een hotel vinden dat een kamer vrij heeft?' In Nimes misschien, oppert hij.

          Ik zie me al aankomen daar, midden in de nacht, met een voet waar het bloed uitstroomt, zonder bagage, maar wel met een kind... vergeefs zoekend naar logies. Om de volgende ochtend terug te reizen naar het hotel, voor de bagage en de confrontatie met een gevaarlijke overmacht, en zonder steun.'ik de ansichtkaart van de politie.

          Dan maar een persoonlijk bezoek aan de gendarmerie, in het naburige stadje. Maar de veldwachter zegt dat hij niet het recht heeft ons te helpen, en in de gendarmerie slapen kan ook niet

          `Gaat u maar in de auto slapen.'

          Nee, we gaan naar huis. Ik rijd de hele nacht door, terwijl Floor op de achterbank slaapt. En eerst haal ik de bagage uit de kamer. Met behulp van een ladder.

          Floortje blijft in de auto, om te proberen een beetje te slapen, terwijl ik naar een ladder ga zoeken. Ik vind er een die aan de korte kant is, een uitschuifbare, van aluminium, en ik klim ermee tegen de gevel, hijs me in het kozijn, open het luik dat op een kier staat en klim naar binnen.

          Dan begin ik de bagage naar buiten te gooien. Een tas raakt de ladder. Die valt om.

          In uiterste radeloosheid denk ik er alleen nog maar aan in hoeveel en welke woorden ik van dit gebeuren verslag zal uitbrengen. Hoe dit op een later tijdstip een verhaal zal worden. Maar ik weet nog niet eens hoe het zal aflopen. Springen? Ik klim uit het venster, ga aan de vensterbank hangen en kijk omlaag. Drie meter en geen behoorlijk schoeisel. Een kapotte voet, en straks ook nog op de grond liggen met een gebroken been? Niemand die Floortje en mij kan helpen.

          Ik hijs me weer omhoog. Lakens aan elkaar knopen. Van de film. Maar wat voor lakens gebruiken ze in films, en wat voor lakens in hotels? En waar moet ik ze aan vastbinden?

         

Floor zal me moeten helpen. Misschien kan zij de kleine aluminium ladder overeind krijgen, Ik roep. Na een hele poos antwoordt ze, vanuit de auto. Komt ze. Probeert ze het. Het lukt haar natuurlijk niet de ladder op te tillen.

          `Springen,' zegt ze.

          Die ladder moet omhoog, Een touw zou ik moeten hebben. In mijn koffer heb ik een lange sjaal, die knoop ik aan de beddesprei. Dan klim ik half het venster uit zodat Floor er bij kan. Ze maakt een van haar befaamde knopen.

          Ik hijs de ladder op. Die knikt in tweeën en dreigt uiteen te vallen. Ik trek hem de kamer in, zet hem weer in elkaar, en laat hem voorzichtig zakken. Nu staat hij vrijwel vertikaal tegen de gevel. Ik smijt mijn koffer omlaag, Floor begint de bagage naar de auto te sjouwen en ik klim naar beneden, met het koffertje dat mijn fototoestel bevat.

         

Misschien is het meer iets voor een kinderfilm, bedacht ik, op weg naar Nîmes. Hoe Floortje haar vader redde. Zij lag achter me te slapen.

 

Nu ik het opschrijf zegt ze dat ik erbij moet zetten dat het

echt waar is. Hand erop. En dat ik de ansichtkaart van het hotel erbij moet laten afdrukken. `Anders geloven ze het niet.'

 

Herfsttaferelen

 

Het seizoen is geopend. Sint Maarten hebben we gehad, Sint Nicolaas werpt dreigend zijn schaduw vooruit, en dan krijgen we ook nog het kerstfeest en Oud en Nieuw, dagen van Jamin en wild en gevogelte en bezinning.

          Het jachtseizoen is open. De man die in de altijd gure Sint Maartensavond eerst bijna onhoorbaar gezang heeft gehoord en ver weg wiebelende lichtjes heeft gezien, betreedt een huiskamer vol kinderen en hoort het kraken onder zijn lompe, nu al winterse laarzen. Met een schok komt hij tot het besef dat hij op een kinderziel trapt. Pepernoten zijn het die daar kraken - nu al, en een koetjesreep, een bounty. Want de kinderen hebben op kranten op de vloer tableau gemaakt, na de grote jacht op snoep.

          Tableau: gerangschikte groep van het op een jachtpartij geschoten wild. Tableau maken, het is altijd een schilderachtige gebeurtenis geweest waarvan het resultaat doorgaans niet werd geschilderd en ook niet noodzakelijk hoeft te worden gefotografeerd.

          Het schouwspel heeft iets van een tableau vivant: een groep mensen beeldt, onbeweeglijk als een wassenbeeldengroep, een historisch tafereel uit. Napoleon zet zichzelf de keizerskroon op het hoofd. Yje Wijkstra schiet vier veldwachters neer; roerloos, en toch niet voor de eeuwigheid bedoeld. Wanneer het doek valt maken de spelers snel een paar kniebuigingen om uit hun verstijving te geraken.

          Het tableau is een ongeschilderd stilleven, en tegelijk een groepsfoto waar geen camera aan te pas komt. Nature morte, tableau vivant. Leven en dood te zamen niet-vereeuwigd. Herfst. De jagers stallen de geschoten hazen, fazanten en patrijzen tussen bos en park uit en nemen er zelf met hun hijgende honden, hun geweren, hun gevederde hoeden achter plaats. En dan blijven ze even roerloos staan, te midden van de warm getinte vallende bladeren. Heel even staat de tijd stil; totdat iemand de stilte verbreekt met een aarzelend: `Mooi, hè?'

          "Ja, mooi," zeggen de anderen, en ze blijven nog een poosje staan, totdat iemand kleumerig met de laarzen stampt of de armen om de loden jas slaat. Dan zegt een ander `Kom' en het wild wordt opgeraapt.

          Zo moet het altijd zijn gegaan. Totdat er zich onder de jagers één bevond met om de hals niet alleen een prismakijker maar ook een fototoestel. Sindsdien is de vluchtige poezie van het tableau gefixeerd en tenietgedaan. Misschien zijn er al jagers met video.

          Niet het eten van reerug, maar het tableau maken is het verheven doel van de jager.

         

Niet om het snoepen is het de kinderen begonnen, en ook niet om het uitentreuren afraffelen van een paar minimale liedjes of het vertonen van zelfgemaakte keuvels of gekochte lampions. Nee, de uitstalling van al die smarties, nuts, rangen, snickers, de hele zelfgemaakte snoepwinkeletalage: bewijsmateriaal is het. Er is een ophaalrecord gevestigd. Sport.

          Onze schoenwinkelier heeft duizend mandarijnen uitgedeeld, één voor ieder kind, voordat hij wegvluchtte voor de keuvelende horden. Als de kinderen maar eenderde zouden opeten van wat ze hebben opgehaald, zouden ze de hele winter ziek zijn. Dan zouden ze later allemaal tandarts moeten worden. Maar het snoep verdwijnt geruisloos.

         

Mijn dochter, die tien gulden nodig heeft voor een knutselboek, heeft mij het grootste deel van haar handel verkocht. Voor minder geld dan het vullen van een kies kost. Nu zit het allemaal in een plastic vuilnIszak. `Wat ga je er mee doen?' vraagt ze. Goede vraag.

          Volgend jaar weer uitdelen?

          Hoe lang zouden die marsrepen, die weke taaipoppetjes, die lollies al de ronde doen? Een uiterste verkoopdatum staat er niet op.

          Daarom verdient hard en degelijk snoep de voorkeur. Pepermunt is onvergankelijk. Drop kan jaren mee, kauwgum ook; pepernoten, mits in een trommel bewaard, bederven ook niet snel; zuurtjes kunnen het best naar de kelder, bij de wijn.

          Een diepvriezer verdient natuurlijk de voorkeur, zeker wanneer het zaak is het hele tableau te bewaren voor het nageslacht.

          In plastic vatten zou ook een oplossing kunnen zijn. Maar waarom zouden we alles moeten vasthouden in een panopticum? Waarom niet liever kiezen voor het vergankelijke maar levende ogenblik van het tableau, die kortstondige huivering: 'Mooi, hè?' Een ontroering even bederfelijk als zo'n uitstalling van in het bos geraapte paddestoelen  nog zo'n herfsttafereel. Het is mooi geweest. Het,wild moet besterven.

          Het seizoen is gesloten.

         

 

Doortocht

 

Nee, het is niet de herfst die me somber stemt. Het is de zekerheid dat een confrontatie met België ophanden is. Het is ook de entourage

         

Van buiten zag de eetgelegenheid er nog tamelijk Frans uit, en dat mag ook wel, want dit is nog Normandië, halverwege Dieppe en Abbeville. Ik ben nogal vroeg, want vanmiddag nog wil Ik thuis zijn, Zo, vroeg dat alle tafels vrij zijn.

          Terwijl ik plaatsneem begint de muzak, boven me vanuit een kleine box, met zachte toeters op een constant niveau: om me erop attent te maken dat het hier ongezellig is, kil, onvriendelijk en ook eigentijds. Ik zie ze voor me, de muzikanten, afwezig, met kommervolle gezichten, denkend aan thuis.

         

Weer is.het mislukt. Weer is de laatste middag in Frankrijk van een naargeestige, Belgische of 'Nederlandse properheid. Alles werkt mee aan het verdriet dat de regenachtige muziek altijd weer opwekt. De norse maar kraakheldere ober, de vooruitzichten die de spijskaart biedt, de chemische wijn, de ketchup. Het lijkt wel Breda; of Turnhout.

          Bij terugkeer uit Frankrijk doet zich telkens weer het probleem voor: hoe slaan we België over? Want België is niet de bedoeling.

          Waarom eigenlijk?

          Toen ik iemand had geciteerd die. pleitte voor een tunnel onder België door kreeg ik een brief van een ingenieur uit Vught bij wie het patent op een viaduct over België heen berust. Een viaduct, schreef hij, zou ook voor de Belgen een. Ideale zaak zijn, want eronderlangs kunnen ze dan hun Iintbebouwing zetten, alleen langs de snelwegen wonen, niemand tot last, en hun wagens eronder parkeren.

         

Een jaar nadat hij in een kring van vrienden zijn idee had gelanceerd, zo'n 15 à 20 jaar geleden, zag hij dat men bezuiden Antwetpen al begon aan de bouw van een verhoogde weg richting Boom-Brussel. Maar na een paar maanden zag de Belgische overheid in dat het project toch te kostbaar zou worden; `De afrit na een paar kilometer rondde deze poging af. Men startte toen met de bouw van autosnelwegen en nu kan men, dus zonder iets van het land te merken dwars door België heenrijden.'

          Inderdaa,d. We lunchen in Frankrijk, en met het avondeten zijn we thuis. Nu kan dat nog. Maar vanuit België komt een ontwikkellng op gang die een eind zal maken aan deze mooie tijd.

          Want de Belgische levensstijl wint terrein. Atrecht en Rijsel zijn vanouds steden met een Vlaams karakter, maar nu reikt de invloedssfeer van de Belgên al voorbij Amiens, tot in Normandië.

          Geen rekening houden met België, het wordt steeds moeilijker.

          De vorige keer ging het ook helemaal mis. Ik wilde, nog net in Frahkrijk, vóór de Belgische grens stoppen, maar je bent er, behoudens langzaamaanacties van de grenswachters, overheen voordat je het weet. Langs de snelweg, in zo'n zelfbedienlngseetgelegenheid waar men voor veel geld een bord eten mag halen dat naar stopverf smaakt, had ik een croque-monsieur, zo'n warm broodje geraspte kaas, besteld; toen het uit de oven kwam bleek het beschermend plastic te zijn meegesgmolten, door de kaas heen.

          Natuurlijk, alles wat wij op België aan te merken hebben, vinden we ook in ons eigen land. Natuurlijk, de Belgen vertellen over ons dezelfde moppen als wij over hen. In België leveren ze een karikatuur van wat bij ons al erg genoeg is. België is onze lachsplegel. In België gaat het allemaal een beetje uitbundiger. Minder gêne.

          Pas hebben ze me in Brussel weer goed beetgenomen, bij de Vlaamse radio. Ze wilden voor de radio met me praten over enge kettingbrieven, die net als bij ons en overal op aarde ook in België de ronde doen, onder namen als `Gebedsketen van Sint Antonius'. Tevoren de vragen doorgenomen. Maar toen ik achter de microfoon zat. begon de interviewer met `U bent Hollander. Stijve Hollanders, zeggen ze hIer. Bent u een stijve Hollander?'

          Kijk, dat is een kenmerkend verschil. Belgen zijn niet stijf. België, dat is Brueghel, Ensor, Rubens, Wiertz, Pallieterke, vogelpik, poepmoppen, processies, bier, bedevaarten, hoempa, beenhouwers. In België doe je niet mee zonder bellen, toeters, vlaggen.

          Onzin natuurlijk. Belgen bestaan niet. België is een toneelstuk over een burenruzie.

          Toch Is België zeer Belgisch. Dat zit niet zozeer in de patatten, in de folklore, in een bijzondere manier van autorijden, in een curieuze wijze van deftig wonen, in linthebouwingen, nee, het zit in een schijnbare naïveteit. Belgen zijn niet stijf en daardoor hebben ze iets waar wij ons lelijk op verkijken.

          Neem die rljkswachters. Ze hebben iets van veldwachters uit een poppenkast, maar pas op. Ze zijn écht.

          'Die schijn van onschuld heb ik in geen enkel land in die mate aangetroffen. Maar in 'andere opzichten herinnert elk land - niet alleen het onze - wel aan een bepaald aspect van Bélgië. Portugal bijvoorbeeld. Noord-Portugal vooral.' Net België, dacht ik toen ik daar binnenreed. Ik stopte voor café, en ha, het was een echt Belgisch café. Er stond zelfs een auto met een Belgisch nummerbord op de parkeerplaats. `Net Holland,' vond de Antwerpenaar die ik binnen aantrof. `Alles zo proper.' Maar dat propere is allang niet meer Hollands. Dat is Belgisch.

          Zelfs in Mexico moest ik, zittend achter een reusachtige lap vlees, met heimwee denken aan ons eigen buitenland, en niet alleen aan die Brusselse gelegenheid waar ze T-bone steaks van een kilo opdienen. (Denkend aan België heb ik ook hier in deze Euro eetgelegenheid een steak besteld. Had ik niet moeten doen, merk ik.

          `A Mexico il y aura du gigot!'

          Vlees was' het, dat een leger Belgen verlokte om deel te nemén aan het Mexicaanse Avontuur van Napoleon III. Er zou een katholiek rijk worden gesticht, met een keizer uit Oostenrijk en een keizerin uit België: Charlotte van Mexico, dochter van Leopold I.

          Het liep allemaal slecht af, in 1867, evenals andere avonturen waar Belgische huurlingen bij betrokken waren.

          Als natie hebben de Belgen tot nog toe ook nooit een gevaarlijke indruk gemaakt. Eigenlijk leek het alsof ze de grote conflicten van de wereld op potsierlijke wijze nabootsten. Poesjenellentheater.

          Amerika, daar lijkt België ook op. Zo'n weg van Antwerpen naar Brussel bij voorbeeld  ik bedoel niet de snelweg, maar die enge, met al die stoplichten, tussen al die meubeltoonzalen door.

          Of de DDR. Ook in België word je, als je je niet aan de snelwegen houdt, aangehouden door rijkswachters, die wantrouwig vragen wat je, wel in hun binnenlanden te zoeken hebt, Transitstrasse, zo heet dat in de DDR.

          Met Duitsers valt niet te spotten. Hoe lang zullen we nog lachen om Belgen?

          Het wordt tijd voor waakzaamheid. Een ernstig conflict lijkt op handen. Onze doortocht zal steeds moeilijker worden. Want behalve dat België zich steeds verder uitbreidt, dat Europa wordt geleid vanuit Brussel en dat de grenswachters steeds lastiger worden komt er volgend jaar nog een hindernis bij. Voor het gebruik van de onnntbeerlljke snelwegen zal een extra belasting worden geheven. Buitenlanders moeten ook betalen. Die buitenlanders, dat zijn wij natuurlijk. De maatregel is tegen ons gericht.

          Onze regering heeft al geprotesteerd. Sindsdien zijn de vijandelijkheden aan het escaleren. De Belgenmoppen worden venijniger, de Belgische grenswachters stipter, radiouitzendingen over de Noord-Zuiddialoog worden gesaboteerd door stakend BRT-personeel.

          Belgen komen naar ons land om op congressen te vertellen hoe lelijk ons land Is, Locomotief 2521 van de Belgische Spoorwegen mag ons land niet meer in. `De inmiddels bij de NS-verkeersleiding beruchte locomotief', zo lees ik in de krant, kreeg tussen Haarlem en Leiden weer eens panne en veroorzaakte fikse vertragingen'. 'De locomotief is naar Roosendaal gesleept en over de grens gezet.'

          Het ziet ernaar uit dat het niet lang meer zal duren tot de kranten de eerste schermutselingen bij Bergen op Zoom melden.

          `Belge?' vraagt de ober hoopvol bij het afrekenen.

         

-------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Een blik in de oneindigheid

 

Dit is nu wat ik altijd heb bedoeld, altijd heb gedroomd: een oneindig groot labyrint waar alles zou zijn uitgestald wat de mens weet en vermag, een tentoonstelling van al het denkbare.

          Misschien hebt u er nooit van gehoord, maar de panoptische taferelen waar ik op doel, bestaan werkelijk en trekken jaarlijks honderdduizenden bezoekers - en dat in een uithoek die vier grensoverschrijdingen vergt. De folder wijst de weg: `Het gemakkelijkst en het snelst is de verbinding via de E 36 (rijksweg 12) over de grensovergang Bergh Autoweg tot aan de afslag Emmerich/'s Heerenberg. Bij  's Heerenberg passeert u dan opnieuw de Duitse grens en komt u weer op Nederlands gebied. Denkt u eraan paspoort en andere grenspapieren mede te nemen.'

          Pal naast de optrekjes van de douane-agenten ligt het, in een voormalig klooster, destijds gesticht door jezuïeten die Duitsland uit moesten. Precies zoals het hoort: in al of niet verlaten kloosters speelden de vreelijkste horror-romans zich ook meestal af. Het betreft hier een zeer groot klooster. Wat een monniken moeten hier ooit hehben rondgedoold!

          Sinds 1974 is het in het bezit van de Stichting Gouden Handen.

          Bij het loket hangt een pagina van een Duitse krant, waarop staat te lezen dat de stichting 'sozialpolitische' doeleinden nastreeft. In de brochure GOUDEN HANDEN (Geschiedenis, Routebeschrijving, Bijzonderheden over speciale onderdelen, Nuttige algemene informatie) preciseert de voorzitter van de stichting: `Gouden Handen is een fenomeen: nergens op de wereld bestaat er een tweede van op deze schaal. Gevestigd in een gigantisch gebouw met een inhoud van 56.000 m3 brengt het gemiddeld tweehonderdduizend bezoekers per jaar in nauw contact met meer dan drieduizend vaak sublieme uitingen van volkskunst. En dat in een wervelende show, die nog tal van andere geestrijke attracties omvat.' De brochure heb ik vooral gekocht voor de routebeschrijving, want in een dergelijk `gigantisch' gebouw kan men licht verdwalen. Maar ik vond er geen plattegronden; wel staat erin opgesomd wat zich aan attracties bevindt op de parterre, op de eerste, tweede en derde verdieping, in het buitencomplex en in de onderaardse gewelven.

          Het Groot Museumboek wijdt niet meer dan eenderde bladzijde aan dit fenomeen; een middag had me ruim voldoende geleken. Maar ik zal me moeten haasten, wil ik deze middag op zijn minst een vluchtige indruk krijgen.

          Op de begane grond is het druk. Veel bijeen behorende dames, vooral bij de souvenirshop, in de vijf horeca-etablissementen en rond deuren waarop te lezen staat: Alleen voor gezelschappen. Het gaat hier dus om damesverenigingen zoals men die veel aantreft in allerhande musea. Zij zullen het niet zijn voor wie op borden geschreven staat: `Wie zich hier aan de werkstukken vergrijpt, dupeert direct zijn mede-hobbyist!' Het is zo druk dat ik nauwelijks een `blik kan werpen op de uitgestalde voortbrengselen van naaldwerk, aardewerk, houtsnijwerk, schilderkunst, en ik besluit om te beginnen de diepte en de hoogte van het gebouw te peilen, voor een globale indruk.

          Eerst maar naar de ondergrondse `mysterieuze, met grotten gevulde gewelven,' want daar is `door een reeks kunstenaars en technici de ademloze geschiedenis van de menselijke ontwikkeling uitgebeeld'. Ik vind inderdaad een trap naar beneden, maar die blijkt via een grote speelautomatenhal naar het buitengebeuren te leiden, waar voor een rondrit een treintje klaar staat, bestaande uit een locomotiefvormige jeep met twee aanhangwagentjes. In het voorste wagentje zitten twee meisjes; ik neem plaats in het achterste, dat leeg is. Voor het evenwicht.

          Voordat het treintje vertrekt heb ik nog de gelegenheid om in de brochure te lezen: `In het ``doem-denken'' van onze dagen wordt de door problemen aangevochten mens weinig of geen perspectief meer geboden. De inzenders op Gouden Handen bewijzen het tegendeel van deze opvatting.' Dat zal ik straks dan toch maar eerst gaan zien: op de drie verdiepingen.

          Voorlopig lijkt het hier meer op een pretpark. Een dierentuin, een terrein vol mechanisch speelgoed, een kleine kermis met botsautootjes, minicars, een `Prehistorisch Park (met mogelijkheden tot het fotograferen van de reuzendieren)', trampolines, een volautomatisch autobaantje, midgetgolf - maar eerst rijden we door de Via Dolorosa, een kruisweg van gipsen reliëfs uit de tijd van de paters. Jesus fällt das 3. Mal. `Hier was vroeger het kerkhof van de paters,' vertelt de gids/chauffeur. Maar de lijken zijn elders herbegraven. `Het is ze daar kennelijk goed bevallen, want ze zijn niet teruggekomen.' De drie passagiers doen hun best om daverend te lachen. In een lommerrijk laantje legt hij uit: `Hier liepen ze te brevieren, heen en weer, heen en weer, om er het heen en weer van te krijgen.'

          Vanuit de tuin zijn de flats van Emmerik zichtbaar.

         

Nu snel naar binnen. Eerst een blik werpen op de etages en de resterende tijd besteden de gewelven. Snel omhoog, iets langzaner afdalen.

          Boven, op de derde verdieping, is niemand aanwezig, maar er klinkt geheimzinnige muziek en ik zie dia's die door niemand anders worden aanschouwd. Dia's van ogen. Zouden ze die ook blijven vertonen wanneer ik weg ben? Of houdt de automatische projektie dan automatisch op? Het onoplosbare vraagatuk van het lichtie in de koelkast. `Feest van dc Geest' heet het hier - het betreft een markt van alternatieve geestelijke stromingen.

          `Morgen maar terugkomen, hier ergens overnachten, het is allemaal veel te veel voor één middag. Snel naar beneden. Hoe laat zou het al zijn? Ik heb geen horloge om.

          Een etage lager zie ik één man, gelijkend op een priester in burger. Hij komt uit een deur waarop Geen Toegang te lezen staat, en hij gaat een ruimte binnen waar ik Stilte lees en Zachtjes lopen en Veboden (zonder R) te Fotogaferen, en waar ik een glimp opvang van grote gebeeldbouwde kaarsen en een driedimensionaal wassen  Laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci.

          Op de eerste verdieping passeer ik op nieuw een Laatste Avondvondmaal van Leonardo, ditmaal in houtsnijwerk. Maar ik moet verder naar beneden, naar de Geheimzinnige Gewelven

          De Gewelven: het is alsof ik afdaal in de binnenste kringen van een Inferno. Klamme, duistere gangen door, op de geluiden af 'waarmee de geboorte van de Schepping gepaard ging'.

          Steeds nauwere gangen door, een doolhof van ruimten en nissen, met spookachtige lichteffecten - dan plotseling een man ontmoeten die in korte broek, met een tropenhelm op zit uit te rusten op een Steen. Een stenen ontdekkingsreiziger. Dan verder langs kluivende oermensen, grotten vol botten, beren die gezinnen bedreigen. Verderop iemand die juist bezig is weg te zakken in een moeras. Het licht knippert angstaanjagend, en gaat vervolgens uit.

          Ik rook niet. Lucifers bezit ik dus niet, evenmin een aansteker. Wanneer ik aan het donker gewend moet zijn, zie ik nog niets. Ook de geluiden van de schepping zijn weggestorven. Tastend langs de rotswanden begin ik te roepen, kreten uit te stoten zoals die oerrneneen om me heen misschien hebben gedaan; ik voel hun koude stenen lijven, struikel over een oneffenheid, val op de vochtige bodem.    Niemand kan mij hier horen.

          Nu pas voel ik hoe kil het is, in deze spelonken. Ik huiver, in mijn overhemd.

          Hoeveel gangen en zalen heb ik al achter me gelaten? Twintig? Morgenochtend om tien uur gaat het licht weer aan.

 

                                                       * * *

 

Nee, natuurlijk heb ik de nacht niet hoeven doorbrengen in de onderaardse gewelven van de STICHTING GOUDEN HANDEN - anders zat ik hier niet. Ik heb de weg door het stikdonkere labyrint teruggevonden door in de spelonken en nissen de beelden van Neandertalers en Cro-Magnonmensen af te tasten en de ontwikkeling van mens  en wereld opnieuw, in omgekeerde volgorde, te beleven. Toen ik de hoekige knieën van de rustende ontdekkingsreiziger bereikte, zag ik een zwak schijnsel dat me de uitgang wees.

          De rest van de avond ben ik wonderlijk gelukkig geweest, over de grens - want van 'S Heerenberg weet ik alleen dat er een borstelfabriek is of was. In het drie kilometer verderop gelegen Emmerik heb ik, gezeten op een terras achter een glas bier, de brede Rijn gezien en het geruststellende gebonk van de aken gehoord. Ik heb geslapen in een Fremdenzimmer waar ik een toffee op mijn hoofdkussen vond, en daarna ben ik teruggekeerd om het Gouden Handenpanopticum van 'S Heerenberg nader te onderzoeken - vooral met het oog op die grotten natuurlijk. De man aan de balie heeft gezegd dat er zowat een half uur van tevoren was omgeroepen dat men zou gaan sluiten. Maar kennelijk hadden zich op de plek waar ik me toen bevond - bij de alternatieve geestelijke stromingen - niet van die banale luidsprekers bevonden.

          In de gewelven ontdekte ik dat zich daar weliswaar nooduitgangen bevonden, maar dat de lichtbakjes die ernaar verwezen, niet brandden. Enigszins onrustig heb ik de onderaardse ruimten opnieuw bezocht  meer dan dertig in elkaar overlopende holen, zaaltjes en .spelonken, waar behalve Gedachten over de Schepping, het ontstaan van de wereld, ook de Evolutie van de Mens zien is: `De moderne wetenschap heeft deze revolutionaire idee van Darwin en de zijnen intussen bevestigd. Zoals de wetenschap inzake dat andere gigantische vraagstuk: hoe kwam het totaal van de Schepping tot stand?, het universele gelijk van de Bijbel in dit opzich moest erkennen.' Geven en nemen.

          Daarna volgen het gruwelpanopticum De mens de mens een wolf: de Worsteling met het Heden; Is dit onze Toekomst? en Het UFO-fenomeen. Bij de uitgang, met het verlossende daglicht, hangt nog de tekst: `Elk bereikt doel is weer het begin van een nieuwe tocht en zo tot in het oneindige.' Naar boven dus, desnoods tot in het oneindige, om alles te zien wat ik gisteren ben voorbijgesneld.

          Eerst nog even, in de pretgrot met de speelautomaten, een paar vijandelijke piloten afgeschoten, want er viel wel een en ander af te reageren. Toen ik me tevreden omdraaide zag ik mijzelf in een lachspiegel.

          Daarna omhoog, naar de volkskunst, de kunstnijverheid, het knutselwerk, de duizenden uitingen van wat de mens vermag: kastelen, markten, parken, locomotieven, vliegtuigen, schepen; de Eusebiuskerk van Arnhem vervaardigd van 200 pakken lucifers, eventueel te koop, het Station Groningen 2 meter breed, van legoblokjes; betraande kinderogen, Oudezijds Kolkjes, molens in alle technieken, maar geen enkele molen bij Wijk-bijDuurstede, de Nachtwacht geheel van draadjes garen, bloemen van schelpen gemaakt, veel vorstinnen, het straatje van Vermeer, alles zelfgemaakt, alles laaggeprijsd - benevens tal van andere attracties, zoals een schaatsmuseum, een tentoonstelling van foto's waarop je kan zien hoe een tv-serie wordt opgenomen; een expositie waar je kan zien wat voor vergrotingstoestellen Philips levert; een antiekwinkel, een wolwinkel, een wervelende dia-show van de firma Canon, foto's van een wonder uit Turijn, een door het bekende blad Vorsten verzorgde tentoonstelling over de drie Oranjekoninginnen, met de prijswinnende inzendingen van een handwerkwedstrijd en een Binnenhof geheel van papierpropjes vervaardigd door een bezigheidstherapeut, een zaaltje van het Zuivelbureau waar ze nostalgische films draaien, zoals oude journaals (de nieuwe zijn net zo), een tentoonstelling van  prenten rondom een vijver die een spiegel is en planten die van plastic zijn. Hier en daar een uitschieter. Op de eerste verdieping een hele zaal vol met uit het halfduister opdoemende fantastische kunstwerken van een 84-jarige die pas tien jaar boetseert, en nu koortsachtig zijn schade inhaalt met composities van onontwarbaar ineengestrengelde lijven, alom voorzien van toelichtende teksten. `Deze geboetseerde symbolen geven een inzicht in de wet van oorzaak en gevolgen. Het waarom en waardoor de mensheid voortdurend in een strijd gewikkeld is, zonder uitkomst. Volg de aangegeven pijltjes op de vitrines.'

          En weer zag ik de man die waskaarsen beeldhouwt en ze met een sfeer van wijding omhult waardoor zijn heiligdom in niets aan een wassenbeeldentheater herinnert. Met religieuze bezieling hoorde ik hem tot enige hezoekers spreken over zijn Pietà, zijn Emmaüsgangers, zijn Madonna, en ik vernam dat hier, in deze gekoelde vitrines voor  175.000 aan was staat, en voor twee ton aan goud, geschonken door een miljonair. Hij heeft zich in het gebouw metterwoon gevestigd naast zijn kaarsen, 'om de mensen uitleg te kunnen geven'.

          Mijn eigenlijke doel is - na mijn bezoek aan het Inferno en het bestijgen van de trappen - het Paradijs, in de brochure aangeduid als EXTRA: VOOR BELANGSTELLENDEN.

          `FEEST VAN DE GEEST', een nieuw initiatief van de Stichting Gouden Handen in samenwerking met de Stichting Evolutie en tal van andere groepen op paranormaal en esoterisch gebied, alsmede op het vlak van de gezondheid en dc voeding.'

          Dit is het domein van spiritisten, paragnosten, iriscopisten, theosofen, macrobioten, zen-boeddhisten, astrologen, baptisten, homeopathen en acupuncturisten, van Reform Hettema, Biostrath, De natuur uw arts, Harmonia, van de Viniala Thakar Foundation Holland, van de Kerngroep Wereld Goede Wil, van Silva Mind Control, van de Sai Baba Gemeenschap, van Shree Rajneesh, van dc Stichting De Impuls en de Stichting Hypnose Nederland, van de Friends of White Lodge, van de Bahai' Gemeenschap, van Mens en Universum; Sirius; Meditatiegroep voor het Nieuwe Tijdperk Relato.; Shanti Nilaya; Findhorn Foundation; Uitgeverij Helmond; Uitgeverij Peter Gottmer; en Uitgeverij Mirananda.

          Hier ziet men in vitrines cassettebandjes met als titels: Stressoverwinning; Probleemloos slapen; Afrijden zonder zenuwen. Hier is een apparaatje tentoongesteld waarin een elektrisch lampje gaat branden wanneer wij contact hebben met geesten, hier worden dia's vertoond men iemands Veelkleurige Uitstraling kan aanschouwen, of ook wel kan zien hoe het Leven na dit leven er uitziet.

          Weer was er niemand anders. Weer werden de dia's vertoond voor een niet aanwezig, althans niet zichtbaar, publiek.

          VISIONS heet de diareeks die buitenlichamelijke  belevenissen uitbeeldt van mensen die klinisch dood zijn geweest. Dc lantaarnplaatjes worden geprojecteerd op de achterwand van een vitrine die onder, boven en aan beide zijkanten bekleed is met spiegels,' zodat men de vizioenen tot in het oneindige herhaald ziet, terwijl het soort hemelse muziek klinkt dat men na het overlijden pleegt te horen.

          De vitrine heeft geen voorruit. Het is dus mogelijk het hoofd naar binnen te steken. Dat heb ik gedaan. Wat er toen gebeurde tart alle beschrijvingen van Gene zijde.

          Ik stak mijn hoofd en schouders uit het venster van een flatwoning. Tegelijk met mij hingen duizenden dubbelgangers ook uit hun ramen, naast mij, boven mij, onder mij, zover mijn oog reikte. Duizelingwekkend waren de dimensies van het Flatgebouw van het Hiernamaals. Het aantal vensters met dubbelgangers naast mij, recht en schuin boven en en onder mij, was oneindig.


 

 

         

 

MEXICAANS AVONTUUR

 

Haast was ik het vergeten. Maar vanmiddag haalde ik de ansichtkaart uit de brievenbus. Een vrouw, manden vlechtend, omringd door rotsen, Achter haar mensen zonder hoofden en de onderkant van een trein. Een perron, zo te zien, maar toch rotsachtig.

          Aan de adreszijde postzegels met runderen, door stippellijnen verkaveld in elf percelen vlees; en de tekst Mexico Exporta. Eroverheen het poststempel Ciudad Juarez 21 jul 79. Toen heb ik de kaart dus verstuurd. Naar huis. Per luchtpost.

          Bijna was ik vergeten dat Ik ook nog in Mexico ben geweest. Heel even maar, om even weg te zijn uit de Verenigde Staten, Om even uit mijn Amerikaanse droom weg te glippen, als een dief in de nacht. Als een veedief uit een Western. Cross the Mexican border, een, twee, drie buut vrij.

          Amerika doen in drie weken, Mexico in drie uren, In het kader van het project `De wijde wereld'.

         

Het gaat zo. In El Paso, Texas, parkeert men de auto dicht bij de brug. Als het tenminste een gehuurde auto betreft: verzekeringen uit de VS gelden natuurlijk niet in Mexico. Hoe dichter bij de brug, des te duurder parkeren. Steeds onbetrouwbaarder aandoende wachters eisen steeds grotere sommen geld naarmate men dichterbij de Rio Grande komt, die Mexico streng gescheiden houdt van de Staten. Op de brug wordt niet naar een paspoort gevraagd, wel moet men 2 dollarcents tol betalen aan een Mexicaanse grenswachter die op deze wijze naar ik schat een dollar of tien vergaart - zijn eigen karige loon?

          Daarna begint het feest. Heel Mexico. zover het oog reikt is een souvenirwinkel die het vermoeden bevestigt dat hier poncho's te koop zouden zijn, en grote hoeden, en aardewerk, en handweeflappen, en pluchen kleedjes met blote meiden in heel uitdagende houdingen, en zilveren sieraden waar een naam in kan worden gegraveerd. `In 10 US. minutes.' Mexicaanse minuten duren langer, beweert men aan gene zijde van de brug; hier wordt dat vooroordeel nadrukkelijk bevestigd, niet in één souvenirwinkel, nee, wel in tien, Folklore, het conserveren van vooroordelen, ten bate van het toerisme; omwllle van de dollar.

          Bij elk winkeltje bestoken mij mannen die me aan een arm naar binnen willen sleuren. Zwaaiend met mijn handen baan ik me een weg tussen hen door, want ik ben uit op een heel ander bewijs van mijn bliksembezoek aan dit land. Ook de taxichauffeurs die op elke straathoek vanuit lange rijen gele auto's wenken of die me opgewekt tegemoettreden met de Woorden `Taxi to see the girls?' zijn aan mij niet besteed. Wel begrijp ik het opeens beter van die louche parkeerwachters. Ciudad Juarez is een bordeel.

          Nee, ik weet wat ik wil. Ik wil naar de kapper.

          Al weken rijd ik rond met veel te lang haar. Dat komt vaker voor. Al sedert mijn prille jeugd heb ik meer moeite met kappers dan met tandartsen. In de VS durfde ik helemaal niet, zeker niet in het Zuiden. Uit angst voor wat ze in Nederland Kort Amerikaans noemen, denk ik. Maar omdat de Mexicanen die ik in Amerika, ontmoette aan weerszijde van hun scheiding flinke bossen haar hadden, als een clivia, besloot ik voor het noodzakelijke bijknippen naar Mexlco uit te wijken.

         

Algauw had ik er een gevonden. Haarsnijden 1 dollar. Het is te doen. Binnen ben ik plotseling in een Heel Vreemd Land. De kapper accepteert wel U.S. dollars, hij spreekt niettemin geen woord Engels. En mijn Spaans is niet berekend op de precieze instructies die kappers verlangen. Dat het korter moet zal hij wel begrijpen. Corto. Hij lacht Mas corto. Hij begint voorzichtig.

          Zonder bril zie ik niet zo goed wat hij uitricht Maar het begint al snel op te frissen, dat voel ik wel.

          Verder geen geklets; Een ogenblik van inkeer zo zonder bril tegenover een vaag evenbeeld in een spiegel, en daarachter een nog vager, vreemd iemand.

          Wat weet ik van Mexicanen? `Bevolking traaf, weinig ontwikkeld,' herinner ik me uit de Nederlandse Algemene Encyclopedie waaruit Ik voor mijn vertrek een paar gegevens heb geput. Speedy Gonsales dus, de oermexicaan van de tekenfilms.

          Maar de kapper is buitengewoon snel klaar, en dan blijkt hij plotseling wel Engels te spreken. Hij houdt een ovale spiegel achter me en roept triomfantelijk: `No more gippy!'

          Zie ik er nu uit als Mexicaan? Of misschien zelfs als een echte Amerikaan? .Eerst maar eens mijn bril opzetten.

          Nee, dit is nog veel erger dan de gevreesde crew cut. Ik heb nog het meeste weg van een pas ontgroende Hare Krishna-adept.

          Na het eten van een groot stuk vlees en het drinken van nogal veel wijn, om mezelf te vergeten, terug naar de VS. Anders draait die ongure parkeerwachter me nog twee poten uit. En trouwens, ik hou het hier wel voor gezien, Japan moet ook nog, en Indonesië, en Brazilië, en China. Ik mag wel voortmaken. Toegegeven, ik heb een en ander gemist. Ik heb Mexico niet helemaal gezien, maar wie wel?

                  

Op de brug weer een obool geofferd en erg opgehouden door een treuzelende familie vóór me. Mexicanen natuurijk. Ik kon er niet langs, hekken aan weerszijden van het voetpad naar de VS beletten dat. Van achter  me  aangesproken: `Amerikaan, meneer?' Ik kijk om. Een man met zeer kort haar, op twee passen afstand gevolgd door een Mexicaanse vrouw.

          `Nee, Europeaan.'

          `Like It here?'

          `Waar bedoelt u, achter ons of voor ons?'

          `In de Verenigde Staten,`

          `O, geen klachten.'

          `Had your American girl, sir?'

          Moet ik daar antwpord op geven? Ik denk na. Misschien staat er wel straf op, zoiets heb ik wel eens gehoord van een zeeman, die alslijfspreuk declameerde: `Aan mijn lijf geen. Amerikaander wijf'. De kortgeknipte man wenkte de Mexicaanse die hem eerbiedig was blijven volgen, en hij schoof haar naar mij toe. `Nice American girl, sir.' Ze lachte al haar tanden bloot, maar zei geen woord. Ze had een lief gezicht Zonder. die vent erbij...

          Ik weet niet meer wat ik heb gezegd. Het was iets onhandigs, iets van `al mijn geld opgemaakt'. Beiden zijn gekwetst de VS binnengegaan, rechtsaf rechtsaf (oostwaarts; ik moest naar links, naar het parkeerterrein, en daarna naar het noordoosten. Dallas. Amsterdam.

          Mexico Exporta. De Mexicaanse posterijen op de bres voor de export. En niet alleen door met behulp van postzegels rundvlees aan de man te brengen. Ook door de voiksaard te propageren. Speedy Gonzales. Perluchtpost.

          Wat is een land zonder folklore?

          Die ansicht had ik nog net op tijd gepost voor de lichting van 19 uur.

-------------------------------------------------------------------------------------- 

 

UITVLUChtEN

Schetsen gepubliceerd in NRC

 

De wachters van het rijk

Waar in West-Europa voel je je nog echt in het buitenland? Nergens, behalve in Engeland en Vlaanderen. Alleen een streng bewaakt isolement kan het exotische karakter van een land veilig stellen. Het water heeft veel gedaan voor het behoud van het absurde Engelse volkskarakter. Anders is het gesteld met het bewaken van de folklore in het Rijk van Koning Boudewijn. Daar wordt het isolement op ronduit geheimzinnige wijze gehandhaafd.

          In schijn is België een land zonder grenzen; altijd groene stoplichten markeren begin en einde. Maar een web van snelwegen en een efficiënte bewaking van alles wat terzijde van die wegen ligt houden Vlaanderen van vreemde smetten vrij.

          Het initiatief is uitgegaan van een Noordnederlandse schrijver. Jaren geleden heeft deze gevraagd om een tunnel onder België door. Dat zou hem in staat stellen Frankrijk sneller, veiliger en minder geërgerd te bereiken. Hij heeft zijn zin gekregen, met dien verstande dat men inzag dat zo'n tunnel — net als een metro — evengoed bovengronds kon worden aangelegd.

          Sindsdien kunnen we België overslaan. We merken niet meer in welk land we zijn, in de vijf kwartier die we nodig hebben van Meer tot Menen.

          De doortocht is te vergelijken met die Transitweg door de DDR, die Berlijn met West-Duitsland verbindt en die men zonder vergunning niet mag verlaten. Doet men het toch, dan is de kans op onaangenaamheden groot. Bij voorbeeld last met de politie.

          Gisteren week ik, traag terugkerend uit Frankrijk, af van de rechte weg. Zonder doel eigenlijk. Alleen wat tijd over. Op een weggetje, dat me had geleid door allerlei dorpen waar ik nooit eerder van had gehoord — ik herinner me de naam Dadizele, omdat ik daar een Oorlogsmuseum van buiten maar niet van binnen mocht zien — kwam ik door brandstofgebrek tot de ontdekking dat de brandstof waar mijn auto behoefte aan had in deze streek niet gemakkelijk te vinden was, en daarom besloot ik door te steken naar de wat grotere weg die Ieper met Roeselare verbindt. Daarbij passeerde ik dorpen waar alleen honden leken te wonen.

          Aan de uitgang van zo'n dorp stonden ze op me te wachten. Ze stonden er voor mij, want verder kwam er niemand langs in de drie kwartier dat ze me staande hielden.

          Twee mannen waren het, gestoken in exotische uniformen, staande naast een gammel busje in de berm. `Uw paspoort, menier', beval de jongste, en de oudste vroeg: `Welke wind heeft u iereen gewaaid, menier?' Me betrapt voelend op een nog te plegen misdrijf, vroeg ik: `Hoe bedoelt u?' Ik keek hem heel even aan, en ik schrok, want het was of ik hem van heel lang geleden kende en ik vreesde ook door hem te worden herkend. Mijn gezicht een beetje achter een hand verbergend, bedacht ik hoe moeizaam de terugweg zou verlopen wanneer ik me werkelijk door de wind verder zou moeten laten waaien. Ik zette de motor af, terwijl de jongste mijn foto vergeleek met mijn hoofd. De andere bewaker, die gelukkig niet in mijn pas keek, verduidelijkte zijn vraag: `U bent toch Ollander, wat ebt u ier dan te zoeken?'

          Had hij me even te pakken. Een Hollander in Vlaanderen, dat betekent onraad. Een Hollander helemaal in Vlaanderen.

          Werkelijk, ik wist niet wat te antwoorden. Wat had ik hier te zoeken? Tegelijk leek het me niet verstandig, de eerste de beste postbode aan zijn neus te hangen dat ik samen met Antwerpse cafévrienden een staatsgreep voorbereid. `Moet ik dat vertellen?' vroeg ik, en ik had het gevoel dat ik klem zat, temeer omdat deze weg, dit busje, deze situatie me vaag bekend voorkwamen. Ik had dit alles al eens eerder meegemaakt, en de herinnering ging gepaard met een gevoel van beklemming dat erop wees dat het de vorige keer niet goed

was afgelopen. `Moet ik u vertellen wat ik hier kom doen?'

          `U kunt toch zeggen: voor zaken, of zo', zei de oudste.

          Voor ik er zelf van kon schrikken, zei ik het: `Voor zaken of zo.' En ik bedacht dat dit niet gelogen hoefde te zijn als ik snel tot zakendoen zou overgaan, door munt te slaan uit wat hier gebeurde.

           De brandweerlieden vonden het geen leuk grapje, en dat was het ook niet. (Maar het was als vanzelf bij me opgekomen, mechanisch, alsof ik gedwongen werd iets te herhalen dat eerder had plaatsgevonden.) Nors trokken ze zich terug in hun wrakke busje.

           Ik begon notities te maken, heel gedetailleerd, ik beschreef, behalve de bus, de plek des onheils en het sombere weer, ook neus en kin van de oudste, die me — op zijn stem na — zo bekend voorkwam. Na een hele tijd kwam de jongste boswachter het busje weer uit. Zijn oog viel op mijn aantekeningen, hij las ze en vroeg onbeschaamd waarom ik zat te schrijven.

  De tweede gewetensvraag. Om daar voor mezelf een antwoord op te geven is al moeilijk genoeg. Maar om hem een verklaring te geven die zijn verdenkingen niet nog ernstiger zou maken, was me onmogelijk. Toch moest ik het proberen.

          `Ik houd een soort dagboek bij... of eigenlijk... een boek is het niet... het zijn meer brieven... brieven aan mijn zwager.'

          'Zwager? Uw wagendocumenten, menier', zei hij met barse stem.

          Ondanks alles begon ik er aardigheid in te krijgen, en terwijl hij in een boekje bladerde en een notitie maakte, ging ik door met noteren. Nog meer verontrust ging hij terug naar het busje. Om assistentie te vragen, nam ik aan. Kort daarop kwam hij, weer alleen, terug om me te vragen of ik mijn bagageruimte wilde ontsluiten. Bij het zien van al mijn koffers, jerrycans, blikken, met touwen dichtgesnoerde dozen werd hij schichtig. Hij scheen zich uit de voeten te willen maken, maar ik had nog een paar vragen, met het oog op de brief aan mijn zwager.

          `Bent u eigenlijk van de politie?' vroeg ik. (Over tot de aanval. De rollen van jager en wild moesten nu maar eens worden omgedraaid.)

          `Ja menier, wij zijn van de Rijkswacht.'

          `Waarom stond u mij hier op te wachten?'

          `Wij doen onze plicht menier.'

          Het is dus de plicht van de Rijkswacht ergens op een stil weggetje te gaan staan wachten totdat Anton Haakman arriveert.

          `Hoezo? Uw plicht om mij op te wachten?' De oudste agent, die weer uit het busje was gekomen en voor wie ik wel degelijk beducht was, bemoeide zich ermee:

          `Wij houden iedereen aan die hier langskomt.'

          `Maar hier komt niemand langs.'

          Een tijdlang bleven beiden dromerig naar de weg staan kijken, daarna gelastte de oudste me te vertrekken.

          `Moet ik België uit?'

          Ze gaven geen antwoord; bleven staren.

          `Mag ik nog eens terugkomen?'

          Ze maanden me tot opschieten. Maar het soort auto waarin ik rijd is niet meteen startklaar, en terwijl ik wachtte tot er ergens in de motor iets de juiste temperatuur bereikte, vertrokken ze haastig. Waarheen?

          Toen ik ook weer op weg was en bij een tankstation uitkeek op een snelheidsbeperkingsbord, herinnerde ik me iets.

          Jaren geleden had ik, in deze streek, gereden op een smalle, zeer slechte weg waar blijkens een bord een maximum snelheid van 5 kilometer per uur gold. Achter me reed een politieauto, alle reden dus om me aan de snelheidsbeperking te houden. Het stuk weg waar de beperking van kracht was, zal ongeveer 2½ km lang zijn geweest, want een halfuur lang reed ik daar, met achter me de politiemannen die me vergeefs trachtten in te halen, waarbij ze mijn bumper bijna raakten. In het spiegeltje bestudeerde ik hun vertrokken gezichten.

          Waarbij het me was opgevallen dat de agent aan het stuur sprekend leek op de Wilde Jager uit Piet de Smeerpoets.        


 

Tjaarda's dwaaltuin

 

Achter de theetuin ligt de speeltuin; achter de speeltuin het labyrint, in 1927 op geheimzinnige wijze aangelegd en zes jaar later opengesteld voor het publiek, tot verwarring en vermaak.

          Van het bestaan van de doolhof van Oranjewoud hoorde ik van een liftster die meereed van Heerenveen naar Drachten. Hoe kon ze weten dat doolhoven bij mij dezelfde duizeling opwekken als hoge torens en onderaardse gangen?

          Kort daarop heb ik Tjaarda's doolhof betreden, via de grote, vervallen speeltuin met de kabelbaan, de bedriegertjes, de niet meer functionerende wiebelkamer en de cake-walk die leidt naar de hoogste glijbaan en die het opschrift Bij Eenen naar boven draagt, wat voor een dominee uit Rotterdam nog aanleiding is geweest voor een stichtelijk woord in een krantje.

          `Boven' heeft men een overzicht van de doolhof, waarin ik te midden van feestende kinderen met feestmutsen verdwaalde. Na een half uur lang telkens opnieuw dezelfde paden te hebben betreden, raakte ik in paniek. Ik vergat alles wat ik wist van systemen om uit labyrinten te geraken:

          Rechtshouden leek niet te helpen, want een goed doolhof kent zijn eilanden waar je zonder eind omheen blijft draaien. Ik brak takjes af aan de ingang van doodlopende paden, maar ze schenen weer aan te groeien. Door de soms kalende heggen heen zag ik een gebouwtje, ongetwijfeld het huis van het monster, maar ik kon het niet bereiken.

          De kinderen waren plotseling verdwenen, ik bleef alleen achter. Door gaten in hagen, mijn kleren openhalend aan prikkeldraad, heb ik uiteindelijk het kabinet bereikt met de talloze lachspiegels en de kinderen, die ik me herinner als uit een nachtmerrie, voortdurend veranderend van vorm, met mezelf ertussen, een vloeibare gnoom die met een door Dali geschilderd fototoestel vergeefs trachtte vast te leggen wat zich hier, in het middelpunt der aarde, afspeelde.

          Nooit meer zal ik zonder plattegrond een doolhof betreden.

         

De nieuwe eigenaar van Hotel Tjaarda, Hildo Jan Boorsma, begint aan een restauratie van speeltuin en doolhof; daarna zal er helemaal geen ontsnappen meer aan zijn.

          Hij gaf me een luchtfoto waarop te zien en te lezen viel dat het labyrint inderdaad tot de alleringewikkeldste behoort.

          Wat bezielt iemand om zo'n doolhof aan te leggen? Dat moest ik hèm niet vragen, maar Andreas Willem Tjaarda, die het labyrint vijftig jaar geleden heeft gesticht. Bijna 96 en zeer vitaal, alleen wat slechthorend. Woonachtig in een serviceflat te Heerenveen.

          Ik trof Tjaarda in goede stemming, nadat hij juist een biljartwedstrijd had gewonnen. Dat hij dertig jaar over de vijfenzestig was, merkte ik hoogstens aan zijn gastvrijheid. Hij bleek verbaasd over die late belangstelling voor zijn wonderwerk en op een gegeven ogenblik, riep hij uit: `U lijkt wel Sinterklaas', hoewel ik toch niets kwam brengen, integendeel. Mijn vragen beantwoordde hij gedetailleerd, te beginnen met de historische achtergronden.

         

Jonkheer Gerryt van Sikkinghe had in 1664 in het woud van de Friese Oranjes het buitengoed Heidewoud gesticht, ongeveer op de plek waar nu Hotel Tjaarda staat. Na zijn dood werd Heidewoud geleidelijk een logement: de gasten, waaronder wat parasieten, moesten maar eens gaan betalen, de kasteelheer werd kastelein.

          In 1877 kwam Heidewoud in bezit van de Tjaarda's. Uitkijkend op een schilderij met het opschrift Tjaarda-State, voorstellend een imposant kasteel, informeerde ik naar zijn voorouders. Vanachter gordijnen haalde hij dozen te voorschijn vol papieren, aaneengeplakt tot meterslange banen, vol minutieus gekrabbel, voorzien van opplaksels en zijwaarts uitstekende aanplaksels. Een doolhof van verwantschappen, adellijke en niet-adellijke — maar dat van die adel had mijn gastheer nooit geïnteresseerd. Hijzelf was in 1910 kastelein geworden, en hij had alles gedaan om veel publiek te trekken, soms tot enig ongenoegen van de heren die de omringende buitengoederen bewoonden.

          Met de gedachte dat kinderen wel met hun ouders zouden terugkeren richtte hij de speeltuin in en zorgde hij ervoor dat zijn uitspanning doelwit werd voor schoolreisjes. `Met schoolkinderen ben ik begonnen de rang van het publiek op te bouwen, die ik noodzakelijk achtte voor mijn zaak. Daar heb ik altijd alle rangen opgenomen.'

          De volgende uitbreiding betrof de bouw van een belvédère, op de tien meter hoge heuvel in het bos. De eerste, houten uitkijktoren was gauw vernield. In 1924 kwam daar een twintig meter hoog bouwsel van slank gewapend beton voor in de plaats — het eerste betonnen gebouw in Friesland dat een tijdlang stand hield. Bij een toren horen, althans in mijn dromen, onderaardse gangen, en ook daarvoor had Tjaarda gezorgd, blijkens een `Wandelkaart van Tjaarda `S Bosch met den Berg van Brongerga waarop de in 1924 opnieuw gestichte Belvédêre, tevens toegangsbewijs tot de interessante Grot met hare Onderaardsche gangen en gewelven'.

          Dat van die onderaardse zaken verklaart hij nader: `Nu is het zo, ik ben bij het graf van Rachel geweest, en bij het graf van koning David, maar ik ben ook in Frankrijk in een kleine tunnel geweest. Maar in Italië, bij de Vesuvius, daar heb ik lava meegenomen zo oud als de Vesuvius geweest is, harde lava, en daar hebben ze manchetknopen van gemaakt. Zo was ik ook altijd nieuwsgierig naar onderaardse gangen. Zo heb ik ook een grot laten maken, een gang onder de grond door, van witte steen, palen en takkenbossen.' De belvédère is, nadat Tjaarda twintig jaar geleden het hotel had overgedragen aan de bekende goochelaar en illusionist Oene Schreur, in verval geraakt en tenslotte gesloopt, naar hij aanneemt.

          Onderaardse gangen en een toren,je treft ze vaker aan bij labyrinten.

          Hoe kwam Tjaarda ertoe een doolhof aan te leggen? Hij had wel eens gehoord van de dwaaltuin te Bellingwolde; uit zijn jongensjaren herinnerde hij zich trouwens een gedicht uit een almanak. Daarin werd het menselijke leven met het dwalen in zo'n tuin vergeleken: `Wie niet met ons dolen wil, Blijve liever hier maar stil. Wie `t niet moedig durft te wagen, Steeds vooraf de weg wil vragen, Is geen kerel van sta-vast, Maar een arme sukkel-gast.' Niet alleen in de doolhof, maar ook in het volle leven. Want als je er wel uitkomt:

          `Dán in `s levens doolhof, vrinden, Zult gij ook uw weg wel vinden'.

          Het komt hard aan, dat leven van mij zal ook nooit wat worden. Tjaarda wist beter de weg; hij wilde een dwaaltuin maken van zo n afmeting dat men er geestelijk en materieel iets aan kon hebben, ook als zakenman'.

          In 1927 trok hij in het diepste geheim naar Düsseldorf, de stad waar hij, na een reis door Griekenland en het Verre Oosten, papiermarken in een huis had belegd dat deed denken aan het paleis van Minos, zijn grote voorganger, op Kreta: 22 kamers, 13 kelders, paardenstallen, een autogarage en een hondenkerkhof. In die stad liet hij, zonder zich bekend te maken, een doolhof-ontwerp maken door een bekend tuinarchitect, die hem vroeg welk doel hij ermee op het oog had. `Mensen in de war brengen en plezier brengen.'

          De tuinarchitect heeft zijn geheimzinnige bezoeker nooit teruggezien, want deze wilde niet het risico lopen dat de Duitser bij een eventueel tegenbezoek concurrenten tot het bouwen van labyrinten zou inspireren. Ook de aanleg vond in het diepste geheim plaats, rondom het 2800 m2 metende terrein liet Tjaarda 3½ m brede sloten graven en de aarde `als de huid van een varken' tot wallen opwerpen. Een zwijgzaam tuinman plantte 8000 haagbeukjes en sloeg 1000 palen voor het prikkeldraad. Op twee punten maakte Tjaarda het ontwerp nog wat ingewikkelder.

          Zes jaar zou het duren totdat de boompjes tot volle hagen waren uitgegroeid, zes jaar lang werden de takken tot guirlandes vervlochten, zes jaar lang zwegen beide mannen.

          `Uit natuurlijk zelfbehoud op zakelijk gebied had ik net als een mol ondergraafwerk uit te voeren, waarbij ik geen gevaar liep anderen te inspireren tot het aanleggen van doolhoven, het doet er niet toe waar ter wereld... zoals bij de aanleg van de Doolhof op Kreta, waarde strohalmen elkaar toefluisterden dat hun koning ezelsoren had gekregen.'

          Midas of Minos, wat doet het ertoe, allebei hadden ze een angstvallig bewaard geheim, en daar komt het voor Tjaarda op aan. Nog steeds kan hij goed zwijgen, soms wil hij bijna iets vertellen dat hij bij nader inzien toch maar liever voor zich houdt.

          Daarom begin ik zelf met een confidentie, ik vertel hem dat ik in zijn doolhof min of meer in paniek ben geraakt, en ik vraag of zoiets vaker voorkwam. Ja, dat kwam vaker voor, maar hij had altijd personeel gehad dat de mensen in de gaten hield. `Hadden ze plezier, dan lieten we ze, maar als ze begonnen duizelig te worden, werden ze geholpen. Hoe lang of hoe kort houd je de mensen erin, wat is je belang? Soms had ik er belang in dat ze lang bleven. Na landdagen kwamen hier wel eens 55 autobussen. Tweehonderd mensen konden er in de theetuin zitten en daar wat gebruiken. Na een kwartier willen ze naar de speeltuin. Als ze daar een kwartier geweest zijn kunnen ze naar de doolhof, daar kun je ze net zo lang laten blijven als je wil.'

         

Tjaarda staat erop dat ik bij mijn vertrek drie gebakjes meeneem, en een cake, en een kolossale perzik. Wie is hier Sinterklaas? `Ik denk niet dat we elkaar terugzien', zegt hij, en hij vergelijkt mijn bezoek met het verblijf van Tsaar Peter in ons land. Doe ik hem denken aan een tsaar of een bisschop, ik `sukkel-gast', die de weg niet weet in zijn doolhof en dus evenmin in `s levens labyrint?

          `Maar er zijn belangrijker dingen in het leven dan deze onderwerpen die ons vandaag hebben beziggehouden', voegt hij me nog toe.


 

Geldhandelingen

 

Vanavond praat ik met niemand. Er komt trouwens een spreker, hier in Hotel-restaurant Zurli. In dit dorp terzijde van het slagveld dat Reggio met Parma verbindt. Een norse vrouw heeft mijn paspoort opgeëist en me sleutel 9 overhandigd. Kamer 9 gezocht, de vensters geopend en weer gauw naar beneden want ik heb het al gelezen op een affiche:

          Augusto Sarto is terug uit China en hij leent zich deze avond tot een discussie. Bovendien, ik heb nog niet gegeten en het is al aan de late kant.

          Een bescheiden maaltijd, want ik moet zorgen dat ik rond kom deze laatste avond in Italië; ik weet niet eens precies hoeveel lire ik nog heb. Mijn kamer kost 6900, las ik op de deur. Maar ik ken dat. Als het op afrekenen aankomt is het altijd net verhoogd. Liever even informeren. `Nee, laten we er 4000 van maken, het is een driepersoonskamer en u bent alleen.' Daar was het me niet om begonnen, maar het is meegenomen.

          Wanneer ik plaatsneem bij het raam, komt een dikke man met gemillimeterd haar en snor op me af. Hij somt op wat er te eten valt. Een echte waard, fier op zijn métier. Gnocchi, zelfgemaakt. En wijn. Van druiven gemaakt, hoop ik. Aan de grote tafel tegenover me zit een luidruchtig gezelschap; een grijze man, geflankeerd door twee identieke jongens in witte T-shirts, vormt het onmiskenbare middelpunt.

          Noemde ik het gezelschap luidruchtig? Kan wezen, maar ik versta geen woord want de tv staat aan en ook van buiten komt rumoer, van een ambulance. Iedereen staat even op. Niets te zien. Binnen wel. Zo neem ik een eenzame man waar die zich nog eens laat inschenken uit een fles met rood etiket waarop een sikkel en een hamer staan afgebeeld. Boris  Godunov heet de drank, die wordt teruggezet op een plank waar ik ook een fles droge witte wijn opmerk, met op het etiket hetzelfde handelsmerk, en de letters PCI. De tv is interessant, maar het hindert me dat ik er even weinig van versta als van het gesprek aan de grote tafel. De literaire Strega-prijs wordt uitgereikt. Omdat ik niets versta, zie ik alleen maar de ijdelheid.

          Even is de tv stil, ik hoor de grijze man aan de grote tafel, met het lijzige streekaccent dat me aan Twents doet denken, vertellen hoe de Zurli's destijds dit hotel voor ongeveer 12.000 lire gekocht hebben. 12.000, dat zal ik zo ongeveer bij me hebben. Straks maar eens tellen, als ik mijn grnocchi opheb, het lijkt altijd meer dan het is, met die grote getallen, ze moeten de lira maar eens door honderd delen.

          Een tas vol geld, dat wel, een aantal biljetten van duizend en een zak volgepropt met assegni, cheques die geleidelijk de plaats van metalen munten hebben ingenomen, biljetjes uitgegeven door diverse lokale banken.

          Het is altijd even zoeken naar het cijfer dat de waarde aangeeft: 50, 100 of 200 lire. Na wat sorteer- en telwerk blijkt dat ik nog wel een en ander kan verteren. Wat de waard prompt merkt. Hij biedt kip aan.

          Op de televisie verschijnt iemand die ik ken, schrijver, filmer, marxist, theoloog. Als ik mijn best doe, versta ik wat hij zegt. De vrouw van de waard vraagt me iets onverstaanbaars. Wat zegt u? Ze vraagt of ik dat nou kan volgen. Verstehen Sie? Ja. Daar gelooft ze natuurlijk niets van, en eigenlijk lieg ik ook, want ik versta Toti wel, maar ik heb zijn rooms-marxistische geheimtaal bij gebrek aan bijbelkennis nooit echt begrepen. De vrouw wordt afgeleid door de man die teveel Boris Godunov opheeft, en bovendien stopt er een witte Mercedes voor de deur. Drie mannen komen binnen, ze spreken op gedempte toon met haar en haar man en nemen plaats aan de tafel naast mij. Een van hen bestelt vier borden spaghetti. Waarom vier? Ik probeer te horen wat ze zeggen, maar van hun dialect versta ik niets. De waard komt me meedelen dat ik mijn kamer moet afstaan aan `deze arme jongens'. Maar ik krijg een kamer met bad voor hetzelfde geld.

          Ik laat de kip, die hij plechtig heeft neergezet, in de steek om op kamer 6 de ramen te openen. Wanneer ik terug kom heeft Boris Godunov aan mijn tafeltje plaatsgenomen om me toe te vertrouwen dat hij de wereld wel kent. Terwijl ik probeer naar de televisie te kijken en te luisteren, en tegelijk ook nieuwsgierig ben naar de gesprekken aan de andere tafels, vertelt hij me dat hij in Napels is geweest en in Genua, Milaan, Bologna. Ook in China? vraag ik. Verbijsterd kijkt hij me aan. Zijn oog valt op de stapeltjes assegni die ik heb gesorteerd.

          Wat een schande! Het muntgeld is over de grens gebracht omdat het metaal meer waard is dan het belooft. Wat er over is, zit in jukeboxen en flipperkasten. Dan wankelt hij weg, schande roepend.

          Kleingeld is hier altijd schaars geweest. Wat ik al niet in plaats van wisselgeld ontvangen heb: postzegels, kauwgom, een sigaret, snoepjes... De volgende keer neem ik knopen mee. De tijd komt nog wel dat we met spiegeltjes en kralen over de Alpen trekken. Waar blijft de spreker toch?

          De waard zit in zichzelf te praten, aan een tafeltje in een hoek — ook wat hij zegt kan ik niet verstaan. Wanneer ik naar hem kijk, vraagt hij of ik kaas wil, of fruit. Maar ik zit nog te eten.

          Straks moet ik proberen de assegni aan hem te slijten, over de grens zijn ze niets waard. Wanneer ik mijn kip opheb, bestel ik koffie en de rekening.

          Bij de mannen uit de Mercedes heeft zich een vierde gevoegd, die nu koude spaghetti zit te eten. Plotseling hoor ik hem lachend roepen; `Druk ze maar in de berm hoor, Jong!' Landgenoten; nu ik dat weet, kan ik ze plotseling goed verstaan. De drie uit de Mercedes spreken Twents. Vrachtautomonteurs, op weg naar een gestrande truck om hem te repareren en te repatriëren.

          Daar is de rekening. Op een paar biljetjes van 200 na raak ik al mijn assegni kwijt.

          De volgende ochtend zal ik me na het ontbijt, gezeten tegenover de grijze man, ook daarvan kunnen ontdoen. Maar nee dat valt tegen. Ik zal toch een biljet van duizend moeten aanspreken. Laat maar zitten, zeg ik, bang dat ik weer van die vodjes krijg. Maar daar wil de waard niet van weten. Hij geeft me een Canadese dollar. `Van hem gekregen.' Hij knikt in de richting van de grijze man. `Komt overal, Australië, Canada, China.' Ik merk op dat het te veel is. `Weet u dan precies wat hij waard is?'

          In de winkel naast het hotel koop ik een paar ansichten om van de 200-lire biljetjes af te raken. Als wisselgeld ontvang ik een telefoonmunt. Die zal me altijd blijven vergezellen, want wie moet ik hier nu nog bellen?


 

De fotograaf zonder camera

                  

Hij moet niets van publiciteit hebben, de fotograaf zonder camera. Zijn naam mag ik niet noemen, zijn adres niet suggereren, zijn huis niet beschrijven.

          Hij woont — dat mag ik wel loslaten — in zo'n winkel die geen winkel is.

          Ongetwijfeld hebt u ze wel eens gezien, die winkels waar niets te koop is, ook al houden etalages de schijn op. Dagelijks bent u er langsgelopen zonder ze op te merken, en dan opeens is het alsof de radiozaak en de winkel in huishoudelijke artikelen zijn uiteengeweken om plaats te maken voor een etalage met bij voorbeeld alleen een oude naaimachine, een doos waarin zich volgens het opschrift een voetschakelaar bevindt en een verschoten bordje waarop nog net de tekst leesbaar is: Wij maken van uw handnaaimachine een elektrische in koffer.

         

De stad als museum, de etalages als kunstwerken. Meestal betreft het eigentijdse kunst, maar de etalages waar ik hier op doel vormen een uitzondering. Het lijken archeologische vondsten. Die kantoorboekhandel in Hilversum bijvoorbeeld, die ze nu, vijfentwintig jaar na de uitbarsting van de Sijsjesberg, hebben opgegraven: alles staat er nog net zo bij als in 1952: de eerste ballpoints, het boek dat bij de kopieerpers hoort, de gummetjes van toen, de nog niet eens helemaal leeggedampte flesjes Gimgom, de jongensboeken van weleer. Op de deur het verzoek om de buren niet lastig te vallen voor inlichtingen omtrent deze door omstandigheden gesloten zaak.

          Godverlaten uitstalkasten, die de schijn van het voortbestaan van een winkel ophouden. Van in het geheim opgedoekte leesbibliotbeken met nog twee planken halfvol gekafte boeken, de rest voor eeuwig uitgeleend. Van sigarenwinkels zonder ooit één klant. Exposities van kapotte brillen of gerepareerde kunstgebitten. Etalages van mensen die niets te koop hebben behalve ideeën of dingen die er nog niet zijn.

          Etalages van makelaars, kleermakers, windhandelaren; van rechtswinkels; van aftandse hoeren die in plaats van zichzelf verouderde rookartikelen uitstallen, Dr. Dushkind, Old Mac, Chief Whip. Etalages waar fietsen of mensen in wonen en waar een poes of een kind als een plant in de vensterbank is gezet. Om niet te spreken van de vreselijkste aller etalages, aan de Jozef Israëlskade ingericht door een negenjarige jongen die tussen vitrages en ruiten van zijn gelijkvloerse kamertje een lugubere uitstalling heeft gemaakt van monsters, doodkisten en geraamtes.

          Etalages met op de ruit een telefoonnummer, dat ik noteer, maar toch niet durf te draaien uit angst dat er een gruwelijk geheim schuilgaat achter de opgehouden schijn.

          Zoals dat van de kleermaker die destijds mijn broeken herstelde. WEGENS VAKANTIE GESLOTEN TOT 16 JULI stond er op de deur naast de etalage met keurig geplooide grijze stoffen, maar op 18 augustus was hij nóg niet weergekeerd en had ik nóg mijn broek niet terug, en op 28 augustus las ik in de krant dat de bezorger van De Waarheid, argwanend geworden door de omvang die de berg kranten achter de deur aannam, omhoog had gekeken en had gezien dat een wolk vliegen de kier van het woonkamervenster verliet. Verregaande ontbinding.

          Nee, zulke telefoonnummers durf ik niet te draaien.

          En toch heb ik met de fotograaf zonder camera kennisgemaakt. Ik wilde een foto maken van zijn etalage — ook zo'n permanente en bijna onzichtbare expositie, die ik helaas niet mag beschrijven.

          Plotseling kwam hij naar buiten, met de vuilnisbak. Toen hij me zag begon hij iets te roepen, dat ik niet verstond vanwege het lawaai van pneumatische boren die zijn straat al maanden teisteren. Met veel misbaren wist ik hem over te halen mij binnen te laten zodat we konden praten.

          Zijn gezicht kwam me bekend voor, en uit zijn levensgeschiedenis bleek dat ik me niet vergiste. Hij was die gedurende een paar jaar alomtegenwoordige fotograaf geweest die overal opdoemde waar iets te doen was.

          Toen al was hij oud voor een razende reporter, gezet, zwaar gebrild, in bromfietsleer gekleed en behangen met teveel camera's en tassen om waar te zijn. Nogal geaffecteerd sprekend voor iemand die er zo uitzag, en zich tegelijk erg lomp bewegend voor iemand die zo bekakt praatte.

          Wat de beschrijving van zijn winkel aangaat moet ik volstaan met de mededeling dat de branche heel vaag aandoet en ergens tussen parfumerieën, feestartikelen en fotografiebenodigdheden in zweeft. De etalage moet vroeger bont zijn geweest, maar is verschoten tot grijs en wit. Daar moet ik het bij laten. De foto die ik heb gemaakt, mag ik niet plaatsen bij dit stukje, dat ik hem vóór publicatie moet laten lezen.

          In zijn huiskamer stond de libertystoel, waar ik prompt doorheenzakte, recht achter de centraal geplaatste kleurentelevisie — een instrument dat hij met zorg bespeelde: Hij stelde de kleuren zó af dat je niet met zekerheid kon zeggen of het kleur of zwart/wit was. Naar aanleiding van die televisie begon hij te spreken over De Werkelijkheid, over Het Leven en over zijn eigen leven. Hij fotografeerde niet meer.

          Maar ook in de tijd dat ik hem met al die camera's tegenkwam, deed hij met zijn foto's niet meer dan ze definitief opbergen in dozen. Ze trachten te verkopen aan kranten of persbureaus was hem teveel moeite, zijn slecht lopende winkel leverde hem het beetje geld op dat hij nodig had.

          Allengs ontwikkelde hij zijn films niet meer; daarna volgde het stadium dat hij geen films meer in zijn     camera's stopte — dat was begonnen toen de film een keer was blijven steken doordat de perforatie beschadigd was.

          Maar hij bleef kijken. `Ik zie wat nog niemand gezien heeft. De werkelijkheid. Dat is een gave die ik pas goed ben gaan ontwikkelen toen ik er zonder camera op uittrok.'

          Heeft hij dan niet de behoefte andere mensen te laten zien wat hij gezien heeft? `Ik weet wat je daar bedoelt. Nee, ik hou mijn gaven voor mijzelf, ik heb aan jullie geen boodschap. Ik heb niemand gevraagd me op de wereld te schoppen. Ik heb aan de mensen niets dan ellende te wijten. Twaalf jaar lang al proberen ze me uit de winkel te zetten. Maar ik houd stand, en ze zijn bang voor me, want ik zie alles, ik kijk dwars door ze heen.'

          Mag ik een keer mee wanneer hij erop uittrekt om nieuws te garen?

          `Nee, voorlopig hoef ik er niet meer op uit, ik heb hier mijn televisiepost, en daar zie ik de werkelijkheid ook. Assen, daar ben ik nog wel geweest, ik heb daar heel goed naar zo' n Ambonees gekeken...'

          Op de televisie bekijkt hij alles, behalve `toneelstukken' en sport. `Sport, dat gebeurt niet echt, dat is allemaal van tevoren door iemand opgeschreven, wie daar moet winnen, en hoe.'

 

De fotograaf heeft het stukje gelezen en veel geschrapt, met een potlood dat aan de ene kant blauw en aan de andere rood schrijft. Dat van `de stad als museum' draagt zijn uitdrukkelijke instemming. In plaats van wat is weggevallen (onder meer een kort verslag van zijn afschuwelijke jeugd en van het Jobsleven dat erop volgde) moet ik maar vermelden dat hij geen aardige man is en dat we al blij mogen zijn dat hij niemand kwaad doet.

          Inmiddels heeft hij het gehavende gouden telefoonnummer van zijn ruit verwijderd. Er is dus, na jaren, toch iets aan zijn etalage veranderd. Maar wie er langs komt kan, als hij goed kijkt, nog uit de lijmresten het getal afleiden dat hij moet draaien.

          Als de fotograaf zijn telefoon inmiddels niet heeft laten afsluiten. Vorige week kon ik hem nog bellen. Wat me verbaasde.


 

Woonwerkverkeer

         

Er is een plaats die ik elke dag opnieuw ontvlucht: de stad die ik verafschuw omdat er zoveel mensen, net als ik, dagelijks worden opgeslokt en uitgekotst. De stad die ik haat omdat mensen er als in een darmkanaal peristaltisch worden voortgestuwd.

          Niet van Amsterdam houden, het lijkt heiligschennis. Deze stad is heilig; voor de toeristen die erheen worden gelokt door resonanties die geen van hen vermag te omschrijven; heilig ook voor de bewoners, die torens, grachten en zichzelf bejubelen zonder eind. `Aan de Amsterdamse grachten...' of `Aan de voet van die ouwe Wester, heb ik vaak in gedachten gestaan...' totdat getoeter boven draaiorgel en verkeersgedruis uit erop wijst dat die gedachten de parkeerplaats voor een personenauto in beslag nemen. Uit die auto komen een heer en een dame die iets gaan kopen in een boetiek.

          In gedachten gestaan... net als zij, die suffend onder rugzakjes heen en weer worden geduwd door forensen die zich de stad in- en uithaasten onder de kap met nog steeds die machtige rode letters BLOM & VAN DER AA. De grote A's waaronder ook voor mij ooit het Avontuur aanving dat vervolgde met Meijjes & Höweler, Duyvené & Remmers, C & A, P & C, V & D. Want ook ik ben als pelgrim naar dit Mekka getrokken. Vijftien jaar heb ik er gewoond, in Centrum, Oost, West en Zuid.

          Ook ik heb vertwijfeld gezocht naar gezelligheid in bruine cafés. Zonder vrees heb ik de pleinen bewonderd, het Koningsplein, het Westerscheldeplein, het Beursplein. Na heerlijke nachten zat ik `uit de wind en in de zon' op het terras van het NZH Koffiehuis, of vóór de Beursbengel, waar ook Henk & Betty altijd koffie dronken. Ik ben door mobiele colonnes in het nauw gedreven en in elkaar geramd. Ik heb van overburen andere gordijnen moeten kopen en van onderburen andere schoenen. En ik heb mijn geld altijd trouw afgedragen aan de plaatselijke zakenlieden — waar het in een stad uiteindelijk om draait.

          Maar toch was er iets wat me op de gedachte bracht dat het handig zou zijn om me een scooter aan te schaffen, bij een plaatselijke middenstander. Om `s avonds even de stad uit te rijden, naar Abcoude of zo. Wanneer ik de bebouwde kom achter me liet overviel me een vreemd geluk, en bij mijn terugkeer bekroop me een al even onverklaarbare gewaarwording, die iets van doen had met bepaalde geluiden, bepaalde geuren...

          Benzinedamp had voor mij vroeger iets opwindends gehad. Wanneer ik met mijn vader de Nash ging halen uit de boxengarage, snoof ik met wellust de geur op waarmee het monster zijn stal had gevuld. Maar toen ik in militaire dienst, achterin een vrachtauto-met-lopende-motor jerrycans vol benzine moest opstapelen en door de dampen buiten bewustzijn raakte, werden de associaties die de brandstofgeur meebracht gecompliceerd.

          Zoals meer Amsterdammers raakte ik verslaafd aan het ontvluchten van de stad, en daartoe schafte ik me zelfs een walmende auto aan — met een zeker schuldgevoel dat me er na enige tijd toe bracht, terwille van het behoud van de stad een actie te ondernemen om allemaal tegelijk onze auto's weg te werpen en verder gezellig langs die etalages te gaan lopen. Maar het plan stuitte vooral op verzet van de middenstand.

          Nadat de zakenmensen kans hadden gezien het woningbestand nog verder te verkleinen volgde voor velen, ook voor mij, de volgende stap: op zoek naar passende en betaalbare woonruimte trok ik naar buiten. Maar ik kom vaker in de stad dan de echte Amsterdammers, namelijk dagelijks, en elke dag opnieuw ruik ik dat het er echt stinkt.

          Ik werk er en ik verlaat de stad vrijwel altijd onmiddellijk na mijn vrijlating, dus mijn beeld zou vertekend zijn ware het niet dat ik geregeld probeer de stad te beleven, te proeven als een ontspannen dagjesmens. Zoals zij die zo te zien beginnen bij het Centraal Station en eindigen bij Dam, American Express en Postkantoor. Het is mooi weer, daar zorg ik wel voor, per witkar of ook wel wandelend bereik ik al gauw de Dam. Op het Damrak heerst een wat overdreven gezelligheid, bij de Beursbengel heb ik staande gepraat met Henk die daar nog steeds zit, nu zonder Betty, ingeklemd tussen Zweedse toeristen. Er is alleen plaats voor mensen die net als Henk heel vroeg arriveren. Vervolgens even binnenwippen in het postkantoor, voor wat geld, daarna zal ik vrij zijn om langs de grachten in gedachten te gaan staan. Aan alle tafels wordt in alle talen de lof van Amsterdam opgeschreven, neem ik aan.

          Al wachtend heb ik alle tijd, drie kwartier, om het op mijn gemak te bekijken en om in gedachten te staan: het voordeel van de stad is dat je alles bij de hand hebt, maar drie boodschappen nemen evenveel tijd in beslag als een reis rond het IJsselmeer.

          Daarna een plekje zoeken om iets te eten. Overal heerst een gezellige drukte, niet alleen op de rijbanen, in de trams en de bussen, op de trottoirs en de terrassen; het merkwaardige verschijnsel doet zich voor dat kroegen in de mode raken zodra er geen plaats is om te zitten of behoorlijk te staan (of andersom). Waar het vol is, is het leuk, vooral als er veel lawaai wordt gemaakt. De massa vergist zich nooit. (De massa die de stad heeft gemaakt, met als doel: elkaar snel kunnen bereiken, en elkaar beschermen tegen dieven, moordenaars en vreemdelingen.) Geen stad waar zoveel puike mensen wonen als hier. Simon en Inez bij voorbeeld.

          Echte Amsterdammers. Gaan nooit de stad uit. Verlaten zelfs nooit hun huis, behalve voor de kaas, de koffie, de sinaasappels en de shag waar zij van leven. En voor de markt met de tweedehands kleren, die gelukkig om de hoek is. Zouden nooit ergens anders willen wonen. Hebben geen auto. De telefoon doet alles voor ze.

          Per openbaar vervoer van hun grachtenetage naar Oost, waar ik om halfzeven een afspraak heb. Om half zes vertrek ik, want er moet heel wat gelopen, gewacht en overgestapt worden. De conference van de tramcommandant ben ik zeker ontwend, het lijkt wel Publikumsbeschimpfung.

          Nog wat meer aanstampen dan dertig jaar geleden, niet alleen de woningnood is onoplosbaar gebleken, ook de capaciteit van het vervoer is nog net als toen. Natuurlijk haal ik het niet, de reis duurt even lang als een autorit van Rijnstraat naar landsgrenzen. Als je in de stad de weg weet, gaat het per auto wat vlugger, vandaar al die auto's die maken dat de tram niet kan opschieten. Met de fiets gaat het echt vrij vlot, maar hoe hou je een fiets zonder dat die wordt gejat? Mijn laatste Amsterdamse fiets heb ik precies tien minuten bereden en daarna aan de Beurs vastgeklonken, om ertegenover koffie te drinken. Nadat er een tram tussen mij en mijn fiets was gepasseerd, lag er alleen nog maar een doorgeknipte kabel.

          Dus die tram is ook nergens goed voor. Simon heeft gelijk, je kan maar beter binnenblijven en door het goed afgesloten venster heen de sfeer proeven, ruiken, horen. Hij vergeet het uitgaansleven. Maar — zo zegt hij — de televisie is overal.

          Dat die autowegwerpactie toen niet is gelukt, verbaast mij nu niet meer. Niets lukt hier. Eerst wilde bestuurder Justus van Maurik de stad niet met Noord verbinden door middel van een IJ-slinger, bevestigd aan een Eiffeltoren midden in het water en pendelend tussen twee torens op de oevers. Daarna ging de monorail over Damrak, Rokin en Vijzelstraat niet door. Vervolgens mislukte het dempen van de grachten ten behoeve van snelwegen. Toen werden er parkeergarages gebouwd en bij gebrek aan belangstelling weer afgebroken. Om niet te spreken van dat stadhuis, en die halve metro, en dat winkelcentrum aan het Waterlooplein, en die hopeloze acties om iets te redden van wat er te redden valt. Iedereen weet allang dat het niks uithaalt. In het café in Oost, waar ik te laat kom voor mijn afspraak, zingt de jukebox: `Hoe zou het zijn in Amsterdam na honderd jaar?' Afwachten. Geduld, dat kenmerkt de Amsterdammer.

          Vroeger hoorde je hem nog wel eens toeteren achter lossende vrachtauto's, nu weet hij dat lijdzaamheid tot zijn conditie behoort, en dat het verval hoogstens kan worden vertraagd. Het karwei dat de Duitsers in `40 in Rotterdam klaarden, moet hier namens de burgerij worden uitgevoerd. De Amsterdammer weet dat niets de ontwikkeling zal stuiten die uitmondt in de toekomstige bestemming: Klaverblad Oude Amstel.

          Nostalgie is het enige dat hem rest. De boetiek met afgedankte troep is het symbool van zijn toekomst.

          Niet van Amsterdam houden, het is bijna lijkschennis.      


 

Tafelen met Totteren

         

Het is alweer ruim een jaar geleden dat ik Totteren ontmoette, maar telkens als ik de kruiperige culinaire rubriek lees die hij onder pseudoniem publiceert, maak ik me opnieuw kwaad.

          De avond dat ik hem tegenover mij aan tafel kreeg, was ik niet in de stemming voor gezelschap. Natuurlijk, op je eentje in een restaurant eten doe je ook niet voor je plezier, maar soms moet je wel en dan stel je je erop in. `Gaat u daar maar zitten, achter die pilaar', zei de gastheer. Dat betekende: achter een dikke zuil vol attributen die erop wezen dat het hier een zeer Spaans eethuis betrof. Van die prikkers om een stier mee te jennen, een affiche van een corrida, en andere dingen waar men in Spanje trots op is, zoals lege flessen en een wimpeltje van FC Barcelona.

          `Gaat u daar maar zitten onder de kapstok', had die man ook kunnen zeggen. Zodra ik daar zat, met de spijskaart voor ogen, probeerde een dame haar bont zowat om mijn hoofd heen te draperen. Wat wel een prettig gevoel gaf aan de wangen.

          De ober liet, naar Spaans gebruik, lang op zich wachten. Ik had alle tijd om mijn keus te maken en de woorden uit mijn hoofd te leren waarmee ik hem zou toespreken.

          `Vanavond zullen we het hebben over synesthesie, de onderlinge inwerking van de zintuigen. Hoe beïnvloedt bij voorbeeld een pieptoon de reuk- en smaakzin?' Dat schreef ik, om mijn gedachten bij voorbaat te bepalen, op de blocnote die ik te voorschijn had gehaald. De aanleiding voor deze woorden lag in de pieptoon die, vermengd met olémuziek, voor mij de sfeer verpestte. Maar de andere gasten lieten zich niet hinderen in hun gezelligheid, ze zagen in elkaars ogen de vlammetjes weerspiegeld van de in flessen gestoken kaarsen. Op mijn tafel stond geen kaars. Was ook te gevaarlijk geweest met al die jassen.

          Terwijl ik in het halfduister trachtte te lezen wat ik had geschreven, kwam er motorkleding binnen waaruit zich een magere, streng uitziende man ontpopte. Hij hing zijn natte vinylpak en zijn witte helm over mij heen aan de kapstok, keek nors rond, zag dat nergens plaats was behalve tegenover mij en vroeg gebiedend of ik er bezwaar tegen had dat hij tegenover mij plaatsnam.

          De ober schoot toe met de kaart, zodat ik kans kreeg eindelijk te bestellen. `Voor mij hetzelfde. Maar geen wijn', zei de man tegenover mij, en hij stelde zich voor. Totteren was de naam. Ik weet niet wat me meer ergerde, de pieptoon of mijn overbuurman, die op de plaats waar nu de helm ontbrak, een overdreven hoog, kalend en schilferig voorhoofd vertoonde.

          Niemand leek de voorwerpen van mijn ergernis op te merken, ook niet de dame die me met haar bont had gestreeld en die aan de tafel naast me, met een klein kind en een man die op Elliott Gould leek, al bijna even lang zat te wachten als ik. Maar nu werden er onverwacht snel een kan wijn en een bak brood op onze tafel gezet. Voor wie? Totteren pakte een homp brood en ik deed dat ook maar.

          `Is het wat, hier?' vroeg hij, en hij besnuffelde het brood. Daarna snoot hij zijn neus en rook hij opnieuw, voordat hij erin beet.

          `De wijn is in elk geval niet slecht,' zei ik, en ik bood aan het glas naast zijn bord vol te schenken.

          `Buitenshuis drink ik nooit wijn. Vertrouw ik niet.' Ik verzekerde hem dat de wijn werkelijk uitstekend was, en hij hield zijn glas op.

          `Excuse me, please?' vroeg een beleefde man met de woorden PINK ROCKERS op zijn trui, `Could you let me hang that coat up, please?' Toen hij zijn leren jas tegen Totteren aanhing, stond deze op om de kapstok te reorganiseren.

          Ook de sla kwam bijzonder snel; in één bak, voor Totteren en mij samen. `Valt mee dat we allebei een eigen bord krijgen,' morde ik. Totteren maakte een scheiding in het midden, schepte de helft op en begon met een kieskeurig gezicht te proeven.

          Ha, dat is leuk. Daar zijn Barbara en Willem. Ze begroetten me uitbundig; ik kreeg een dubbele zoen van Barbara, en ze stelden zich voor aan Totteren. Vergeefs probeerde ik uit te leggen dat die man zomaar tegenover mij was gearrangeerd door noodlot of plaatsgebrek. Plaatsgebrek was er inderdaad. Barbara en Willem moesten wachten tot er een tafel vrijkwam, en kennelijk had de norse Totteren hen afgeschrikt, want ze gingen aan de bar zitten, terwijl ik achterbleef met mijn ongenode gast, de jassen en de sla — en de gefriete inktvissen die op tafel werden gezet.

          Omdat drank helpt tegen pieptonen, schonk ik mezelf voor de tweede keer in, en Totteren voor de derde keer. Een vlotte drinker, maar de alcohol liet hem niet onberoerd. Hij werd spraakzamer, keurde de inktvis en zei dat het ermee door kon. Vermoedelijk waren ze uitstekend, de calamares a la romana, maar mij smaakten ze niet, met die pieptoon in mijn oren en dat schilferhoofd voor ogen. Daarna begon hij zijn hart te luchten over alle andere Spaanse, Italiaanse, Joegoslavische, Hongaarse, Griekse, Japanse, Hollandse, Franse, Turkse en Indiase eethuizen.

          We waren het er roerend over eens dat je bijna overal wordt genept. Ze beginnen meestal redelijk, zij het met te kleine porties, maar al snel degenereren ze. Bij de meeste Italianen bij voorbeeld gebruiken ze geen kruiden meer; maar je krijgt wel altijd een kwak weke spaghetti op je bord, want er is ooit eens een klant geweest die kwaad was dat hij als hoofdgerecht alleen maar vlees kreeg met brood, zodat hij niks te prakken had.

          Totteren vertrouwde me toe dat hij in onderhandeling was met een groot dagblad, voor een culinaire rubriek waarin hij de vloer zou gaan aanvegen met alle eethuizen. Genadeloos zou hij toeslaan, de schrik der restaurateurs. `Totteren was in town tonight!' Sidderend zouden ze wekelijks zoeken naar de kop `Tafelen met Totteren'. Eigenlijk was hij met twee kranten in onderhandeling, maar beider betrokken redacteurs wilden dat hij af en toe ook iets aardigs schreef, en hij wachtte tot een van de twee door de knieën zou gaan.

          Ik vroeg hem of hij ook over andere dingen schreef. Ja, onder pseudoniem. Hij noemde fluisterend de naam die me bekend was van stukjes over de levende natuur — waarbij ik me altijd een vriendelijke oudere heer had voorgesteld, met een grijze hoed, een duffelse jas en rubberlaarzen. Totteren zag ik meer als sportverslaggever.

          Hoe was hij op het idee van die eethuizenrubriek gekomen? Hij vertelde dat hij tot voor een jaar geleefd had met een vrouw die uitmuntend kon koken. Ze had hem verlaten omdat hij net zo mager bleef als toen ze hem leerde kennen. (Zal wel meer achter hebben gestoken.) `Alles kon ze maken, behalve dit.' Hij wees naar zijn gefriete inktviskransjes. `Alles maakte ze veel beter dan al die bistro-koks. Maar hier kan ik tenminste niet vergelijken.'

          `Eet u altijd in restaurants?'

          `Geen sprake van. Meestal vreet ik alleen bruinbrood met olie, peper en zout. Als je dat hier zou vragen, zouden ze je niet begrijpen.'

          Het dochtertje van Elliott Gould kwam bij ons tafeltje staan. Totteren gaf haar een stukje brood — toch aardig van hem — waar ze onmiddellijk mee wegliep om het in de buurt van haar ouders op te kauwen.

          Gelukkig had ik mijn bord leeg toen iemand een blauwwit windjack vanachter twee andere jassen vandaan wilde trekken en daarbij een leren jas liet glippen. Hij maakte geen excuus, was eerder verontwaardigd dat zelfs onder de kapstok etende mensen zaten. Ik reikte hem mijn papieren servetje aan zodat hij de vetvlekken van zijn jack kon vegen.

          Totteren sloeg er geen acht op. Hij zat, achter het laatste glas uit mijn tweede fles, nog steeds even kieskeurig te proeven. `Ik ben misschien niet schrander,' zei hij dronken, `maar ik heb mijn zintuigen.' Ik vroeg hem of hij gezien had dat er een jas op mijn bord was gevallen. `Een jas?' vroeg hij.

          `Welke kleur?' Ik informeerde of hij de pieptoon hoorde. `Wat pieptoon?' Hij beschikte allang niet meer ten volle over zijn zintuigen.

         

Kort daarop ontdekte ik dat niet Totteren maar iemand anders in een weekblad een rubriek was begonnen die enigszins deed denken aan wat Totteren voor de geest stond. En onlangs is, in een omroepblad, iemand weer eens met zo'n rubriek begonnen waarin hij hoog opgeeft van wat hem in allerlei eetgelegenheden wordt voorgeschoteld. Toen ik Totteren vorige maand in een landelijk gelegen bistro zag, in donkerblauw pak, met een representatieve dame en een fles Chablis, begreep ik dat hij daarvoor verantwoordelijk moest zijn.


 

De molen bij Wijk-bij-Duurstede

         

Vandaag heb ik tweeënvijftig exemplaren toegevoegd aan mijn verzameling. De originelen heb ik niet in mijn bezit, maar in mijn herinnering liggen nu kopieën opgeslagen van zo'n honderd verschillende molens bij Wijk-bij-Duurstede.

          Opnieuw ben ik, per veerpont, beland in het roerloze stadje aan Rijn en Lek, en weer komt alles me tegelijk onwerkelijk en vertrouwd voor. Alsof ik hier als kind heb gewoond.

          In zekere zin is dat ook zo. Heel lang geleden hing boven mijn bed een langgerekt wandkleed waaronder het vredig slapen was, aan het rustige brede water met de zeilboot, en de oever waar een voerman met paard en wagen langs de molen reed.

          Totdat er iets gebeurde dat me deed twijfelen aan de authenticiteit van het kunstwerk. Onze buurman was van een veiling thuisgekomen met een hoop rotzooi, waaronder een gedreven-koperen paraplubak met dezelfde molen. Maar zeilboot en wagen ontbraken; de laatste was vervangen door drie vrouwen. Een koektrommeltje in een etalage vergrootte de verwarring; wel een zeilboot, geen paard-en-wagen. Mijn grote broer, die het probleem aanvoelde, haalde een kunstgeschiedenisboek te voorschijn waarin zich een reproductie van Ruisdaels molen bevond die nog het meest overeenkwam met de afbeelding op de koektrommel, zij het dat de kleuren me tegenvielen.

          Van mijn zakgeld kocht ik het koektrommeltje, dat toen het leeg was dienst ging doen als broodtrommeltje. Op de bagagedrager van mijn fiets vergezelde het me bij mijn eerste expeditie naar Wijk, waar ik het werk persoonlijk wilde verifiëren. De bedoeling was dat ik mijn brood dáár zou opeten waar eens Ruisdael had zitten schilderen, maar dat bleek niet mogelijk, want die plek moest zich midden in het water bevinden. Anders kon het Slot Duurstede zich onmogelijk ter linkerzijde bevinden van de molen die blijkens een gedenkplaat voor Ruisdael model had gestaan. Een molen die Overigens geen enkele overeenkomst vertoonde met wat ik ervan verwachtte.

          Jaren later las ik dat ook een geleerde tot de conclusie was gekomen dat de molen `Rijn en Lek' Ruisdaels molen niet was. In een kolenschuur aan de Lek, veel dichterbij het slot, had men de fundamenten gevonden van wat ik sindsdien in nog veel meer versies heb aangetroffen, op vazen, op aardewerken reliëfs, op een ander wandkleed waar het water vervangen was door een bruine vlakte met struiken, op plastic tegels, op een windjack en op de arm van een schipper in een Rotterdams café.

          Beroemder dan de Nachtwacht en het Straatje van Vermeer, en zelfs populairder dan Rembrandts Elisabeth Bas, die op een analoge wijze verloederd is en in de loop der jaren op sigarendoosjes steeds meer plooien in haar kleding, rimpels in haar gezicht en andere details kwijtraakte — tot de dag dat ze op de schutting voor de Nieuwe Kerk te Amsterdam verscheen als jonge meid. Maar de originele Elisabeth Bas zal ik nooit ontmoeten; nooit zal ik in staat zijn Rembrandt op de vingers te kijken, zoals ik over Ruisdaels schouder tracht mee te kijken. Telkens opnieuw word ik naar deze geheimzinnige plek gedreven. Om te vergelijken? Om te zien of alles er nog staat? Misschien wel om mezelf ervan te overtuigen dat ik het de vorige keren allemaal gedroomd heb, slapend onder dat panoramische wandkleed.

          Maar Wijk-bij-Duurstede valt niet te verifiëren, het blijft een schimmige plek. Ook nu wijst niets erop dat ik wakker ben, nu ik op deze stille herfstige middag langs winkels loop met telkens weer het onbegrijpelijke woord DOKA op een uithangbord, langs een boekwinkel met een grote kaart waarop de tekst WAT JE DROOMT BEN JE ZELF, en dan langs een vrij groot gebouw met het opschrift DOJO judovereniging Duurstede — op de deur een briefje `Wegens ziekte van de trainer vandaag geen Judo.' Ik ben op weg naar het museum waar ik op de tentoonstelling Kinderen tekenen Wijk tweeënvijftig tekeningen van de Molen Rijn en Lek zal aantreffen, allemaal nieuwe variaties op het thema Molen bij Wijk-bij-Duurstede, allemaal radicaal verschillend van elkaar en van de bestaande prentbriefkaarten.

          Een verdieping lager staat de expositie Dorestad, een beeld van een opgraving opgesteld. Heeft het misschien iets te maken met het Karolingische verleden, dat ik me hier voel als een reiziger uit een andere tijd, hier en ook in Nijmegen? Of gewoon met al dat water dat voorbijstroomt, hier door de Lek, daar door de Waal?

         

Op straat terug kan ik geen verschil in klimaat constateren tussen binnen en buiten. Bij het hek van het slotpark zie ik voor het eerst mensen, drie zeer korte oude mannen. Twee groeten me, de derde kijkt wantrouwig. Wat doe ik hier ook, tussen bladeren die geruisloos neerdalen, het enige dat hier beweegt. Wanneer ik me omkeer, zie ik hoe de poortwachters uiteengaan en elkaar uit het oog verliezen bij een tweesprong terwijl ik ze kan blijven nakijken. Dan volg ik één van hen, in de richting van de dijk en de hoge kademuren langs de Lek. De tuintjes in de diepte liggen er nog en het eenzame grote huis met de op de rivier en de veerboot uitkijkende veranda's is behouden gebleven: het enige huis op aarde dat ik misschien voor het mijne zou willen ruilen — maar komt er niet een brug in de plaats van het veer?

          Het is zo windstil dat ik mijn adem bijna inhoud. De andere oever is vervaagd door iets dat ik in de auto ervoer als een heel lichte motregen, maar dat ik lopend niet eens voel als een dauw.

          Waar is de kolenschuur met de fundamenten van de molen? Ben ik er voorbij gelopen zonder hem op te merken? Is hij verdwenen? Op de tweesprong tegenover de kademuur, waar ik me een huis herinner, staan nu wilde rozen, met daarachter een grijs gebouw waar tegen de gevel een schilderij achter glas is opgehangen, een grijs landschap, nauwelijks meer dan een horizon. Achter het venstertje in de deur hangt een bordje GESLOTEN. Binnen zie ik nog meer van die landschappen. Een galerie? Een atelier? Op een muur aan de achterkant lees ik in verweerde zwarte letters het woord BRANDSTOFFEN. Heeft een landschapschilder de kolenschuur verbouwd om zich te vestigen op de fundamenten van onze molen?

          Ook het pannekoekenhuis dat halverwege de oude en de nieuwe molen schrijlings op de walmuur zit, is GESLOTEN. Het terras is niet meer wat het was, want de geheimzinnige intercomkastjes zijn verdwenen. Je moest een knop indrukken en aan een grijs roostertje je bestelling opgeven. Die werd dan even later nog gebracht ook, vanuit het restaurant aan de overkant van de straat.

          Dan maar naar het café aan de markt, voor een kop koffie om wakker te worden.

          Maar ook hier gebeuren vreemde dingen met de tijd. De radio staat aan: `Het is nu één uur, goedenmiddag dames en heren hier is de Evangelische Omroep met Klankspiegel.' (Het stemmen van muziekinstrumenten). `We zijn in het Concertgebouw te Amsterdam... We nodigen u uit te luisteren naar het Concertgebouworkest onder leiding van Eduard van Beinum...' (Applaus) `Daar komt de dirigent!' Wat gebeurt hier? Van Beinum was allang dood toen de EO werd opgericht, maar nu gaat hij twee delen van een symfonie van Haydn dirigeren, kennelijk op verzoek van de EO want die zenden nooit een hele symfonie uit. Waar ben ik?

          Vlug terug naar de auto. Bij het passeren van een snackbar zie ik mijn eigen gezicht weerspiegeld in de ruit. Ik blijf even kijken, misschien om wat zekerder van mezelf te worden, en ik trek een gezicht, maar het spiegelbeeld antwoordt niet en blijft onbeweeglijk. Ik kijk niet naar de ruit maar erdoorheen, en achter de vitrine staat iemand die op me lijkt. Wanneer ik besluit een confrontatie niet uit de weg te gaan, blijkt ook hier de deur gesloten. De schim verdwijnt door een deuropening.

         

Naschrift: Nu, een week later, hoor ik dat het verschijnsel van de omroepster die zich in de tijd verplaatste, zich op de bewuste dag (vrijdag 28 oktober) ook elders heeft voorgedaan. Luisteraars, onder meer te Amsterdam en Schagen, hebben het applaus gehoord waarmee het publiek de dirigent verwelkomde, en de evangelisch blije stem van de zieneres, die riep: `Daar komt de dirigent!' Ik heb dus niet gedroomd.


 

Middeneuropese tijdrekening

         

Omdat ik de vorige keer in Boedapest op elke straathoek van een onbegrijpelijke agent een onbegrijpelijke bekeuring kreeg, besloot ik nu gebruik te maken van taxi's, die niet meer kosten dan de Amsterdamse tram. De receptionist van het hotel had mij een plek aan de overkant van de boulevard gewezen waar mijn auto de hele week mocht rusten. Dat leek goed te gaan. Na drie dagen was hij door de kwade stadsdampen van wit in loodgrijs veranderd zonder dat er briefjes tussen ruitenwisser en voorruit waren gestopt. De vierde avond was hij verdwenen.

          De portier van het hotel wist wie hem gestolen had: een transportbedrijf, in opdracht van de gemeentereiniging. Want elke zaterdag werd de straat schoongemaakt en vandaag, donderdag, was het zaterdag omdat het morgen, vrijdag dus, zondag was: 7 november, de verjaardag van de Oktoberrevolutie die in november 1917 uitbrak, maar volgens de toen nog geldende Russische kalender op 25 oktober.

          De man gaf me een drukwerkje dat mij alsnog waarschuwde dat op alle zaterdagen om twaalf uur de boulevard vrij van auto's moest zijn. Op de achterkant stond het adres van het bedrijf waar de auto naar toe was gesleept. Open tot tien uur, ik kon hem dus nog halen.

          Wachtend op een taxi kocht ik de Daily News, een krant voor buitenlanders. `Die van vandaag is uitverkocht, we hebben alleen die van morgen.' Als oktober in november valt en zondag op vrijdag, verbaast het me niet dat het vandaag morgen is. In die krant stond dan ook al met wat voor feestelijkheden de komende dag was geopend: kransleggingen door ministers in het bijzijn van Sovjetautoriteiten.

          Het was druk. Terwijl de taxi zich in een file voortbewoog langs brede straten met rode vaandels aan alle kalende bomen, kon ik rustig de etalages bekijken die versierd waren met allerlei grafische of eetbare uitvoeringen van één en hetzelfde portret van Lenin. Daarna ging het steeds sneller door kale, nóg bredere straten met het massieve soort gebouwen waarvan Stalin nu de schuld krijgt en die voor deze gelegenheid versierd waren met heldhaftige afbeeldingen, uitgevoerd in een stijl die leek op wat men in het Westen nieuw realisme noemt.

          Ten slotte bereikten we een buitenwijk met alleen nog maar onverlichte, omheinde en door honden bewaakte terreinen. De taxichauffeurs lijken hier per kilometer te worden betaald, maar ze beheersen hun vak onvoldoende om hun haast zonder gevaar in snelheid uit te drukken.

          Toch breken ze records, en daarbij lijken ze immuun voor bekeuringen in tegenstelling tot gewone mensen, die geen 2 km per uur te hard durven rijden, anders schijnt er iets vreselijks te zwaaien.

          Ook bij deze man hield ik met vochtige handen het dashboard omklemd (in een volksrepubliek hoor je naast de chauffeur te gaan zitten en niet achter hem, lijkt me).

          Al kaartlezend vonden we de aangegeven weg, maar deze was niet voorzien van huizen en dus ook niet van huisnummers. Het was overal donker en uit de gebaren van de chauffeur maakte ik op dat we beter terug konden gaan. Maar op dat moment zag ik achter een hek een paar auto's staan. Ik rekende af en gaf 25 procent fooi, want als je minder geeft worden ze boos. Dat geldt niet alleen voor Hongaarse taxichauffeurs, het heeft meer te maken met het feit dat ze je in landen waarvan je de taal niet spreekt, bij voorbaat voor dom en rijk houden.

          De fooi was kennelijk toch onvoldoende. Woest draaide de taxi om, een spatbord openhalend aan een paaltje. Met gillende banden verdween hij in het donker. Kort daarna kwam hij nog even voorbijschieten. Zeker verkeerd gereden in zijn drift. Het linker achterlicht brandde niet, herinner ik me nog.

          Daarna werd het erg stil om me heen. Het was nog geen tien uur, maar het hek was dicht. Ik raakte gewend aan het donker en zag op het terrein honderden auto's staan. De oogst van één dag? Om maar iets te doen rammelde ik aan het hek. Het bleek aardig koud te zijn geworden, onmiskenbaar november- en geen oktoberweer, wat die Russen ook mogen vinden. Ik begon te bedenken hoe ik me met de taxichauffeur zou kunnen verzoenen als hij nog een keer langs zou rijden, toen ik een deur hoorde en een man uit een onverlicht hok naar me toe zag komen. Hij zei iets, ik antwoordde in het Duits, hij leek me te begrijpen, maakte een ketting los en ging me voor, tussen al die auto's door die er kennelijk al langer stonden dan vandaag. Naast een houten keet stond de mijne, met brandende lichten.

          Ik wilde instappen, maar dat mocht niet. Binnen stond in het halfdonker achter een tafel een stramme man die mij in zuiver Nederlands toesprak: `Míjnheer, u hebt vérkeerd géparkeerd. Wij hebben vérgunning van de pólitie om uw auto weg te slepen.' Ik moest een bedrag betalen voor Komen en Gaan, voor Optakelen, voor het Rijden van een groot aantal kilometers, en voor een aantal Manuren. En of ik geen Nederlandse kranten voor hem had. Tot `35 had hij in ons mooie land gewoond en hij wou onze mooie taal bijhouden. Hij las alles, zelfs reclame, als er maar Nederlandse woorden op stonden. Maar ik had niets, want ten onrechte had ik verondersteld dat elk stukje westers drukwerk net als in de DDR aan de grens vernietigd zou worden.

          De terugweg viel niet mee. Mijn kaart reikte niet tot in de buitenwijken. Ik besloot de richting te volgen waar de taxi het laatst was heengeschoten, maar ik raakte al gauw in de Vrije Natuur. De tegengestelde richting leidde ook het landschap in. Toch kwam ik op een gegeven moment tussen flats terecht, er liepen zelfs mensen op straat, maar we verstonden elkaar niet en ik volgde op goed geluk de richting die ze wezen. Eenrichtingsverkeer en bochten leidden me opnieuw buiten de bebouwde kom, en gelijktijdig opkomende mist en vermoeidheid brachten me er toe in de auto te gaan slapen tot het 7 november werd. Had ik de taal maar moeten leren.

         

Toen ik wakker werd, was alles meteen duidelijk: ik hoefde maar tegen de stroom auto's-op-uittocht in te rijden en ik kwam in de stad, waar ik op een hoek werd opgewacht door drie agenten die efficiënt van al degenen die dezelfde straat uitkwamen zo'n vijftien gulden incasseerden. Iedereen betaalde grif, alsof het ging om een toegangsbewijs tot de feestelijke stad. Om mij duidelijk te maken dat ook ik schatplichtig was, wapperden ze met het soort bankbiljet dat ik diende te overhandigen. Ik had daar niet veel zin in en via een behulpzame Duits-sprekende oude man gaf ik te kennen dat er misschien iets mis was met de verkeersborden. Met die agenten viel wel te praten. Verbaasd over zoveel tegenstand lieten ze me gaan. De oude man reed met me mee om de weg te wijzen.

          Het was stil in de binnenstad. Een groep pioniers in uniform marcheerde zingend een bioscoop binnen. Bij het bronzen portret van Lenin aan de Lenin-boulevard hingen verse kransen.


 

De elektrische legpuzzel

         

Bij het opvegen van de laatste sparrenaalden moest ik weer denken aan de avond dat Van de Bunt, die zes huizen van mij vandaan was komen wonen, een batterijtje kwam lenen en mij uitlegde waarom hij de stad was ontvlucht. Hij woont hier inmiddels alweer vijf jaar, maar nog steeds pleegt hij zich te verontschuldigen voor het feit dat hij in de stad niet voldeed aan de verwachtingen van zijn buren.

          Hier voldoet hij uitstekend. Toen ik hem, een week na zijn aankomst, voor het eerst zag, was hij, op klompen, bezig met een te kleine zeis zijn grasland te bewerken. `Een Amsterdammer met een zain!' riepen zijn buren elkaar vrolijk toe. Zain of zein is Westfries voor zeis.

          Het was niet de behoefte aan schapen of een knollentuin die hem hierheen gelokt had, het waren zijn onderburen die hem uit de stad verjaagd hadden. Hij had daar gewoond boven het confectieatelier van het echtpaar Vredestein dat zich ergerde aan zijn leefwijze. Hij ontving `damesbezoek' tot ongenoegen van de heer Vredestein, die zelf alleen bezoek ontving van heren in blauwe blazers, zowel overdag als `s nachts. Mevrouw Vredestein had een allerliefst vriendinnetje dat doorging voor hulp in de huishouding.

          Wat Vredestein het meest mishaagde was het zakelijke risico. Er was eenmaal bij Van de Bunt een kleine overstroming geweest, die verband hield met zijn voornaamste bezigheid, het fotograferen van de mooie meiden die hem bezochten. Bij het spoelen van de afdrukken was de keukenafvoer verstopt geraakt. Van de Bunt zat in de kamer, tegenover de stereo.

          Ook Vredestein legde verband tussen de lekkage en het damesbezoek. Van de Bunt, die vrijwel zijn hete leven op de cassetteband vastlegt, heeft mij het telefoongesprek laten horen dat volgde op de kleine ramp.

          `Als zakenman houd ik mijn hart vast', verklaarde Vredestein. `Er liggen kapitale goederen opgeslagen in dit kapitale pand, en als u dames over de vloer heeft...'

          `Wat heeft dat nou met lekkage te maken?' vroeg Van de Bunt.

          `U weet best wat ik bedoel. Als u daar dames ontvangt, laat u de zaak lopen. Er ligt hier voor een kapitaal aan mantels opgeslagen, en kostuums.'

          `Pantalons en colberts', vulde Van de Bunt aan, om te laten merken dat ook hij de taal van de branche beheerste.

          `Ja, en als u de zaak laat lopen...'

          Weer onderbrak Van de Bunt hem. `Wat bedoelt U? Dat ik als een kater...'

          `Dan plast u in de wasbak, en dan komt er verstopping, en overstroming. Met juffrouw Bout heb ik trouwens ook vreselijke ruzie gehad. Vreeeeselijke ruzie heb ik met haar gehad. Vieze kerels heeft die in huis gehad, met baarden.'

          `Wat zegt u daar? Baarden?'

          `Ja, vieze, vieze kerels, met baarden. Eén keer zelfs een neger.'

          Van de Bunt lichtte het incident met juffrouw Bout toe. Vredestein was, toen ze een vriend op bezoek had, spiernaakt de trap afgekomen om met een butagas fles haar deur te forceren. Een andere keer was hij een medebewoner, die van de tussendeur in de gang een kastdeur wilde maken (als de tussendeur openstond was de kastdeur dicht, en andersom) te lijf gegaan met een grote kleermakersschaar. Ik zag hem voor me als de boze kleermaker die in Piet de Smeerpoets kleine jongetjes de vingers afknipt. De medebewoner bleek over een bijl te beschikken, zodat de strijd onbeslist eindigde.

          Van de Bunt, die toch wel de schrik te pakken had, rekende uit dat de schade bij een echte overstroming rond de tienduizend gulden zou liggen. Hij overwoog het afsluiten van een passende verzekering, maar vond voordat hij daartoe stappen ondernam, voor tien gulden een Japanse elektronische bouwdoos voor beginners, een soort lego waarvan elk bouwsteentje een weerstand, condensator, diode of transistor, of gewoon een draadje herbergde. De doos was voorzien van een vriendelijk boekje waarin werd uitgelegd hoe men met behulp van deze bouwstenen een radio, een zendmicrofoon, een lichtmeter en een afluistersysteem kon maken, of eventueel ook een a-stabiele multivibrator, die alarm zou slaan als de bijgeleverde elektrode nat zou worden. Dat laatste deed hem tot aankoop besluiten. Hij installeerde het speelgoed naast zijn spoelbak en wist dat een luid gepiep hem zou waarschuwen wanneer er waterschade dreigde.

          Van hem had Vredestein dus niets meer te duchten, en het zou dan ook niet aan hem, maar aan een van de baardige typen van juffrouw Bout te wijten zijn dat de voorraad mantels en kostuums toch verloren zou gaan.

          Maar zover zijn we nog niet. Eerst zou Van de Bunt alle mogelijkheden van zijn bouwdoos benutten. Hij construeerde diverse radio's, maar die werkten minder goed dan het toestel dat hij al bezat. De grammofoonversterker die hij daarna samenstelde, bleek over een te gering vermogen te beschikken voor zijn luidsprekers.

          Dat leidde tot aankoop van een dure bouwdoos voor een zeer grote versterker, die, eenmaal gereed, noodde tot het maken van zeer omvangrijke basreflexkasten, tot nader ongenoegen van Vredestein, die van zijn buren alleen televisiegeluid accepteerde, en dan alleen nog als ze op hetzelfde net hadden afgestemd als hijzelf.

          Daarna legde hij van zijn elektronische domino een afluistersysteem aan, waarmee hij de strategie van het echtpaar Vredestein vóór kon zijn en tegelijk op de hoogte raakte van hun geheime leven.

          De catastrofe volgde in de donkere dagen na kerstmis. Juffrouw Bout had een student over de vloer die min of meer bij haar was ingetrokken, compleet met zijn studenten-hifi.

          Op zo'n avond in de eerste helft van januari ergerde Vredestein zich zo aan diens gereflecteerde bassen dat hij halverwege de trap met een hamer tegen de wand van hun kamer begon te bonken. Daarop kwam de student naar buiten. Er ontstond een twistgesprek waarbij ook Van de Bunt aanwezig was met zijn cassetterecorder.

          `Die vieze, vieze meid!' riep Vredestein, en hij sloeg met zijn hamerde bril van de student stuk. Van de Bunt, de student en juffrouw Bout hadden hem daarna vastgegrepen en in de plastic jeep gehesen van de man met de bijl, die het gezelschap eerst naar de GGD en daarna naar het politiebureau vervoerde. Toen ze in twee politiebusjes terugkeerden, stond het huis in lichterlaaie. De kaarsjes van juffrouw Bouts verdroogde kerstboom hadden om zich heen gegrepen.

          Van de Bunt was dakloos, trok in bij Moniek, een van zijn modellen, bouwde daar een installatie van over de 100 pk, kreeg ruzie met haar hospita en vertrok met Moniek naar het huisje aan de dijk waar ze eerst een zomer lang genoten van de stilte en de vrijheid door stampend door het huis te lopen, `s nachts de bassen open te draaien en luidkeels ruzie te maken. Daarna werd het kil. De elektrische kachels moesten meehelpen en met kerstmis begaf de hoofdzekering het. Moniek zong Stille Nacht en hij stak voorzichtig de kaarsjes aan in de brandvrije boom. Daarna pakten ze de geschenken uit die eronder lagen. Voor hem was er een nieuwe bouwdoos waarvan hij nog dezelfde avond een transistorradio puzzelde. Er zat alleen geen batterijtje bij.


 

De verkeerde verjaardag

         

Het begon al aan de telefoon. Met Tineke, verstond ik. Haar stem klonk wat hees.

          `Hallo, hoe gaat het, lang niet gezien. Ben je verkouden?'

          `Een beetje, het is bijna over.'

          Ze nodigde me uit om weer eens te komen eten. We spraken af op zondag, want dan hoef ik niet met etenstijd te werken, maar pas om negen uur. Halfzeven, spraken we af. Nu heb ik de ergerlijke eigenschap altijd overal te vroeg te komen. Zo stond ik al tegen zessen voor haar deur. Margaretha, haar vriendin, deed open. `Tineke komt zo thuis,' zei ze, en ze zette zoveel thee dat ik aan de wc moest denken.

          Toen ik daarvan terugkwam hoorde ik Margaretha tegen de telefoon zeggen: `Wacht, hier is-ie al. Ik geef hem zelf wel even.' Ze gaf mij aan Tineke, en die legde uit dat ze op een verjaardag was. Bij Saskia. `Je kent haar wel. Ze is pas verhuisd, naar Noord. Bovenover heet het hier. Wacht, ik geef je Saskia, die kan je precies vertellen waar het is. Als je zin hebt om te komen, kom je. Als je er over een half uur, drie kwartier nog niet bent, neem ik aan datje geen zin hebt. Dan kom ik naar huis.'

          Saskia, ik ken wel een paar Saskia's, welke zou het zijn? De stem herkende ik niet. Saskia legde me iets uit van een winkelcentrum en een torenflat en niet-zo-erg-hoogbouw ernaast. Een parkeerterrein, een lift, een lange gang, een luchtbrug en nog een gangetje en dan de derde deur links. Kon niet missen.

          Ach, ik ben daar wel eens bij iemand op bezoek geweest, ik vind het wel. Onderweg kom ik tot het besef dat ik Saskia's achternaam niet weet en dat ik ook het huisnummer niet gevraagd heb. Maar ze heeft me alles heel duidelijk uitgelegd.

          Bij het winkelcentrum sla ik af, plaats mijn auto op het parkeerterrein, loop naar de lift en zie dat het hier niet Bovenover heet maar Het Hoogt. Aan een Zuid-Europeaan die in de lift stapt, vraag ik waar Bovenover is. Hij verstijft van schrik, antwoordt niet en schiet snel omhoog. Een vrouw die de lift net heeft gemist, legt me uit: `Onderlangs en Bovenover, dat is net als hier, maar dan aan de andere kant van de weg, bij die torenflat.' Ik rijd naar het spiegelbeeld van Hoogt en Laagt, parkeer weer, op een identiek parkeerterrein, tussen een rode Golf en een lichtblauwe Taunus, aan de voet van wat inderdaad Onderlangs en Bovenover blijkt te heten, en ik ga weer zo goed als dezelfde lift binnen. Boven de lange gang door, en over de luchtbrug. Nu kan ik links, maar ook rechts een gang in. Hoe was het ook weer?

          Eerst maar links proberen. Derde deur links. Er wordt niet opengedaan. Dan terug. Rechtsaf, nog een klein luchtbruggetje, en dan hoor ik harde muziek. Welbeschouwd is het de vierde deur, maar dit moet het zijn. Degene die me stralend opendoet, komt me wel een boog bekend voor. `O, ben jij het? Aan de telefoon had ik geen flauw idee met wie ik sprak.' `Welgefeliciteerd,' zeg ik, en zij kijkt tersluiks naar mijn lege handen. `Je begrijpt, ik kon niets meer kopen.'

          `Hindert niet hoor,' zegt ze, en ze leidt me enthousiast binnen in de kamer waar talrijke mensen feestelijke liederen zingen bij een piano, en waar een klein meisje laat op is.

          Tineke zie ik niet. `Het heb net gebeld met Tineke; is ze al weggegaan?' vraag ik. `Ja, ze zijn al weg.' Een man staat op en zegt: `Hallo. Dirk.' `Ik heet geen Dirk', antwoord ik. `Nee', zegt hij `ik heet Dirk.'

          De volgende zegt, heel duidelijk `Ik heet Anton'. `Nee, ik ben Anton,' zeg ik. `Ik ook,' zegt hij. Saskia— ik dacht nog steeds dat het Saskia was — wijst me een stoel en geeft me een flesje bier.

          Ik leg uit dat ik een beetje verdwaald was; daarom ben ik zo laat dat ik net Tineke mis. `Komt vaker voor', zegt Saskia. `Vorige week hoorde ik hier `s nachts iemand Help roepen. Hij was volkomen in paniek, kon zijn eigen huis niet vinden.'

          `Had je met Tineke afgesproken of zo?' hoorde ik haar vragen.

          Om negen uur moet ik aan het werk, als ik haar nu nog achterna ga, kom ik te laat. Ik leg het Saskia uit. `Wat voor werk?' vraagt een man met een baard, een snor, een bril en een pijp. `Corrector bij de krant,' zeg ik. `Wat een rotvak,' zegt hij. `Ik ben het zelf ook jarenlang geweest. Eens kijken.'

          Hij pakt een NRC/Handelsblad uit de krantenhanger. `Eens even overhoren. Hoe schrijven we Elektrische legpuzzel?' Ik doe mijn best. `Fout', zegt hij, en laat mij de krant zien. `Elektriche.' Dus toch. `Dat is zeker volgens de spelling-Havermos', verdedig ik me. Ik voel me niet op mijn gemak, deze mensen spreken een andere taal, ik kijk op mijn horloge en zeg, hoewel het nog vroeg is: `Ik moet helaas weg.'

          Hoe ik hier gekomen ben, herinner ik me nog heel goed. Nu moet ik eerst links, dan over de loopbrug die ik aan mijn rechterhand zie, en dan de lange gang door. Met de lift naar Onderlangs. Daar is het parkeerterrein. Waar staat hij? Waar staan de Golf en de Taunus? De andere twee vertrokken, de mijne gestolen? Of ben ik toch op een ander parkeerterrein terechtgekomen? Het beste is, de weg terug te nemen naar Saskia's verjaardag en vandaar opnieuw te beginnen, maar ik raak steeds verder verdwaald en weet alleen met de grootste moeite het parkeerterrein terug te vinden waar mijn auto niet staat. Gelukkig arriveren er mensen bij de lift, ik vraag of ze soms nog zo'n parkeerterrein weten. Ze wijzen: daar, aan de overkant bij die flats.

          Na een paar honderd meter lopen vind ik wel een parkeerpleintje maar tegelijk ontdek ik dat ik me weer onder Het Hoogt en voor Het Laagt bevind. Het is al half tien.

          Terug. Onderweg zie ik, in de verte, een telefooncel. Politie bellen dat mijn auto gestolen is? In elk geval de opzichter bellen dat ik te laat kom. Telefoon defect. `Bij storing melden: 007, onder opgaaf van het nummer van deze cel.' Hoe? Waar? Wrede ironie.

          Terug naar het punt van uitgang. Radeloos rondlopen, alle auto's bekijken. Totdat er een vlak naast mij tot stilstand komt. Ik vraag de bestuurder of hij soms nog een aantal van deze parkeerplaatsen weet. Hij opent de rechterdeur, en rijdt me rechtstreeks naar het pleintje dat ik al die tijd heb gezocht.

          Toen ik een week later Ineke opbelde, viel het me op hoe hees haar stem eigenlijk was.

          `Ben je verkouden?' wilde ik vragen, toen er een vloed van verwijten op mij neerdaalde.

          `Je hebt me mooi laten barsten. Je had toch minstens even kunnen afbellen.'


 

Contrabande

         

De reis begon met Janácek op de radio. `Mooie muziek uit een mooi land waar aardige mensen wonen,' zei de lieve omroepster na afloop.

          Was ik maar naar dat land met die aardige mensen vertrokken.

          In een land wonen aardige mensen als de eerste mensen die je er ontmoet aardig zijn — waar heb ik dat gelezen? In het land dat ik nu betreden heb, ben ik weer ontvangen alsof ik op de drempel van de gevangenis stond. Grensoverschrijding wordt hier kennelijk als een tamelijk ernstig vergrijp beschouwd. Eerst werd mijn paspoort in beslag genomen. Een douanier die er niet uitzag alsof hij stiekem thuis schilderijtjes maakte, vroeg of ik niets aan te geven had. Mijn Nee was het sein tot een grootscheepse zoekactie. Auto aan de kant, waar Zuideuropeanen en Noordafrikanen bezig waren hun hele bezit uit te stallen, met inbegrip van opengerolde vochtige handdoeken en vuile onderbroeken. De grenswachter informeerde of ik een camera bij me had. Twee, zei ik, en ik liet ze zien. Dat zijn er twee, zei hij afkeurend. Maar ik had de geëigende papieren.

          Daarna ontdekte hij een envelop vol filmtijdschriften, die ik op de terugweg in Amsterdam moet afgeven. `Wat is dat? Porno?' vroeg hij. Ik raadde hem aan zijn pornografie elders te betrekken — een opmerking die tot mijn verbazing in mijn voordeel uitviel: kennelijk besefte hij dat hij te ver was gegaan en dat hij een nummer op zijn uniform droeg, zodat hij het onderzoek snel afsloot.

          Nog een half uur had ik de tijd om te bestuderen welk soort reizigers aan een grondige controle werd onderworpen (donkere typen en alleenreizende mannen in oude auto's) voordat ik mijn paspoort terugkreeg. Nu al verdacht, wat moet dat worden op de terugreis, wanneer ik wel contrabande bij me heb? Want daar is de hele reis om begonnen, dat dringt nu duidelijk tot me door; daar zijn grenzen voor; dat is de laatste romantiek van de buitenlandse reis.

          Opvallend veel veldwachters op de been. Dat voorspelt weinig goeds. De radio meldt dat er twee jongelui zijn gepakt die een zelfgemaakte bom vervoerden. Geen pornografie dus. De mensen die ik die avond in de hoofdstad tref, zijn vreemdelingen net als ik, maar ze gedragen zich alsof de stad van hen is. Het hotel, waar mijn kamer zich bijna op gelijke hoogte bevindt met de ijzeren toren waar de stad beroemd om is, is eigendom van een Japanse luchtvaartmaatschappij, en haast alle gasten zijn Japanners. Vanuit mijn kamer op de 39ste verdieping overzie ik de stad als vanuit een vliegtuig; de afdaling met de lift bootst het gevoel van een landing natuurgetrouw na.

          De immense hal met bars, winkels, roltrappen en loketten ademt de internationale sfeer van een luchthaven, en zelfs de volgende morgen zal ik, bij het overzien van het panorama met de rivier, nog nauwelijks beseffen waar ik ben.

          Pas laat in de ochtend zie ik mensen zoals ik me herinner van de vorige keer, in oude cafés gezeten achter slappe, oude koffie en halve maantjes van bladerdeeg. De eerste helft van de ochtend heb ik verdaan met het draaien van alle telefoonnummers van het instituut waar ik een afspraak heb voor een onderhoud met de man die mij zonder twijfel iets zal meegeven dat ik over de grens zal moeten smokkelen. Ik besluit het instituut te gaan opzoeken, maar het is gesloten, de bordjes zijn verwijderd en niemand weet waar het gebleven is. Ook de telefoondienst niet.

          Toch heb ik vorige week nog gebeld — zonder het adres te vragen.

          Mijn reis is vergeefs, denk ik. Het lucht me op.

          Gewoon maar wat rondkijken. In het grootste warenhuis is een Nederlandse week aan de gang, zo blijkt uit een affiche.

          Nu ik zo duidelijk aan het verkeerde adres ben, zal ik graag landgenoten ontmoeten. En tegelijk krijg ik weer eens de gelegenheid te zien hoe het vaderland zich naar buiten voordoet.

          Op de vijfde etage, rondom een galerij, staan ze opgesteld, de artikelen die mijn heimwee bevredigen. Het eerst vallen de woorden op die in grote letters rondom op de wanden zijn aangebracht: KLOMPEN  — TULPEN — DELFT — FIETSEN — KAAS. En dat tref ik dan ook aan: glimmend rode en zwarte klompen namaaktulpen — een Batavusrijwiel bereden door een etalagepop met Volendammer mutsje en klompen natuurlijk — en oranje kazen, met namen als Edam, Gouda en Mimolette.

          De belangstelling was beperkt.

          Slechts weinigen profiteerden van de gelegenheid om voor niks een stukje kaas in de mond te stoppen, en een meneer kneep ondeugend in de voorband van de Volendamse. `Dat zijn nog eens ijzerwaren', riep hij prijzend.

          Het stelde me wel teleur dat de kraampjes niet bemand waren door landgenoten; dat gold ook voor de `Amstel Taveerne'. Plaats voor driehonderd, maar er was alleen personeel, en één man die somber achter een flesje bier zat, met naast zich een groot pakket. Aan de manier waarop hij me groette, herkende ik de authentieke Rotterdammer. Ook hij was blij een landgenoot te ontmoeten. Hij had, door deel te nemen aan een waspoederprijsvraag, een geheel verzorgde reis gewonnen, en nu had hij een middag vrij voor inkopen.

          Vandaar dat pak. Hij maakte zich zorgen over het vervoer. Met grenzeloos vertrouwen vroeg hij mij, na veel bier, of ik het soms voor hem kon meenemen in de auto, naar zijn zuster in Amsterdam. Hij overhandigde me het reusachtige pakket.

 

 

Die avond nog kwam met de kater de onrust. Moest ik de inhoud aangeven?

 

Aan de grens werd het opnieuw griezelig. De beambten lieten me weer alles open maken. Ze vroegen wat er in het pakket zat, maar ik veinsde de landstaal niet te verstaan.

          `Souvenir?' vroegen ze. Ik knikte. Toen begonnen ze voorzichtig aan het touwtje te peuteren. Uit een grote doos haalden ze een voor een talloze kopjes van rood-wit aardewerk en potten waar THÉ en CAFÉ op stond. `Souvenirs!'

          De douaniers begonnen te brullen van het lachen, terwijl ze elkaar wezen op de bodem van de koffiepot. Made in Holland.

          `Neem maar weer gauw mee terug', zeiden ze, en ze waren behulpzaam bij het inpakken en dichtknopen.

          Mensen die weten hoe ze een gunstige indruk moeten achterlaten. Aardige mensen, uit een mooi land.  


 

April in Portugal

 

Vrijdag ben ik veel te vroeg, en met het verkeerde been, uit bed gestapt. Dat drong tot me door toen ik er na een minuut weer instapte: het bed bleek aan de verkeerde kant opengeslagen.

          De verklaring lag nog in mijn geheugen: ik had gedroomd dat ik in een ander bed lag, in een vreemd land, met een vrouw die mij vroeg hoe EHBO in het Portugees heet.

          Ik schrok wakker (dacht ik), opende mijn ogen (dacht ik) en zag op een plankje aan de wand een dik woordenboek rechtop staan, opengeslagen op precies de juiste bladzijden. De Nederlandse woorden waren iets groter en vetter gedrukt dan de Portugese equivalenten, de letters EHBO waren leesbaar, maar de vertaling was dat niet. Daarom sloeg ik het bed open, stond op (gauw! voor het te laat is), opende nu echt mijn ogen, voelde mijn hart kloppen en zag dat ik me in mijn eigen slaapkamer bevond, zonder dat woordenboek en zonder die vrouw.

          Beducht dat ik de desillusie niet aan zou kunnen stapte ik snel weer in het bed. Ik wilde de draad weer opvatten, want het was een prettige droom geweest, al met al, vanwege die vrouw; vooral vanwege haar wat hese stem. Maar hoe ik ook mijn best deed om me haar voor ogen te halen, zij kwam niet terug. Ik had het gevoel dat ik haar wel kende, maar waar ze woonde, hoe ze heette en of ik haar soms alleen van de tv kende, wilde me niet te binnen schieten.

          Wel zag ik iets van Portugal terug. De stad Porto, zoals ik die kende van de eerste dagen van Spinola. De marktkraampjes waar de Madonna's schuil gingen achter elektrisch verlichte foto's van de generaal met de monocle. De feestelijke etalages met rode vlaggen, de T-shirts met sikkels en hamers; en de student die dacht dat ik een agent van de PlDE was, gereed om toe te slaan zodra de contrarevolutie een feit was. Juist omdat ik geen Portugees sprak, wekte ik zijn wantrouwen. Bovendien was ik niet blond, en ik had het koud, die avond, terwijl iedereen toch in overhemd rondliep. Maar vooral mijn bril verried me: de vorige dag gekocht en van een model dat in die dagen alleen in Portugal gedragen werd (nu overal).

          En ik zag mensen die niet leken te beseffen dat het uur der bevrijding geslagen had; zij staarden wezenloos voor zich uit, zittend voor hun huizen, in de sloppen bij de rivier die ik zag vanaf de oprit van de brug terwijl ik werd toegesproken door een hopman compleet met korte broek en kousen met kwasten. Hij sprak een beetje Frans, maar algauw ging hij over op zijn moedertaal om de glorie van zijn vaderland te bezingen. Zittend op de brugleuning declameerde hij een eindeloos lang fragment uit het epos dat Camõens had gewijd aan de man die de kolonie Mozambique had gesticht. Zo'n prachtige taal hoef je helemaal niet te verstaan. Die dag nog heb ik Os Lusiadés gekocht en ik heb er van genoten als van een Japanse film zonder ondertitels.

          Maar later ontdekte ik dat het Portugees dat ze in Brazilië spreken nog veel mooier klinkt, en dat het Portugees van Jeanne Moreau, zoals ze dat spreekt in Braziliaanse films, nóg mooier is.

         

Ik wist heel goed waarom mijn droom zich in Portugal had afgespeeld. De vorige ochtend had ik Les Amants du Tage teruggezien, de film waarin Amalia Rodriguez de Portugese vertaling zingt van April in Portugal (het Portugese equivalent van Tulips from Amsterdam). Daar zag ik het strand van Nazaré. `Nazaré, het Volendam van Portugal,' zei ik.

          Zo zag ik Nazaré terug, eerst denkend aan die film, en aan een affiche van Air France waarop het eindeloze, lege strand staat afgebeeld, met heel in de verte twee stipjes van mensen (Françoise Arnoul en Daniel Gélin, las ik onlangs in de mémoires van Daniel Gélin); en een affiche voor de film waarmee mijn droom begonnen was, waarop diezelfde actrice en diezelfde acteur staan afgebeeld in een theatrale pose. Aan de hand van de foto op dat affiche hebben critici van de Nouvelle Vague uitgelegd wat er precies mis was aan de stijl van de door hen verafschuwde regisseur — alleen bleek later dat die foto gemaakt was tijdens een uitgelaten strandwandeling waar wel de fotograaf aan had deelgenomen, maar niet de regisseur.

          Beelden van een eindeloos, verlaten strand, dat ik ook in werkelijkheid had ervaren als rustig. Totdat er iets verschrikkelijks gebeurd was. Tientallen jachten verschenen aan de kim en landden vrij spoedig voor ons op het strand:

          Engelsen die aan een soort race bezig waren. Op het strand was het niet meer te harden van de Engelse taal, ik ging zwemmen, een man met rode wangen en rood haar zwom me achterna en vroeg hijgend: `Your wife... is she a Swedish actress?'

         

Toen ik, zonder de droom te hebben teruggevonden, maar weer opstond, bracht de post mij het avondblad van de vorige dag, waarin een stuk over Portugal met een foto van Nazaré. Bijschrift: `Nazaré, het Volendam van Portugal'.

          Wie dicteert mijn dromen? Wie bezoekt mij in de slaap?

         

Vanmiddag zag ik een film waarin twee vrouwen elkaar in de hoofdrol aflosten zonder dat hun mannelijke tegenspeler dat leek op te merken. Actrices die nog niet eerder in een film gespeeld hadden. Een van de twee, de Spaanse Angela Molina, herkende ik met ontsteltenis als de vrouw die me gevraagd had wat EHBO in het Portugees was. 


 

Op zoek naar vriendelijke mensen

         

De eerste confrontatie vond in het donker plaats. In een stille laan werd mijn fiets plotseling afgeremd. Ik keek om: aan mijn bagagedrager hing een man, die spookachtig fluisterde: `Zijt gij bereid te sterven?' Dat was een Jehova, vertelden ze thuis.

          Jaren later van de schrik bekomen, besloot ik de zaak toch eens te onderzoeken. Ze traden nu ook op bij daglicht, en ze organiseerden massale tochten met aan hun fietsen bordjes: DE WERELD VERGAAT OVER 100 DAGEN.

          Na vier maanden, toen het gevaar dus geweken was, liep ik samen met mijn vriend Harrie de Wit een jeugdige Wachttorenverkoper tegen het lijf. We spraken smalend over de beloofde honderd dagen, maar de discussie vloog naar een zo ingewikkeld niveau dat Harrie en ik er niet meer bij konden. De Wachttorenverkoper nodigde ons uit het gesprek nog diezelfde avond bij hem thuis voort te zetten. Het leek ons wel wat. Iets om te lachen.

          Toen we binnenkwamen had de jongen, die ongeveer even oud was als wij, geflankeerd door zijn ouders plaats genomen aan het hoofdeinde van de grote tafel. Voor ons stonden stoelen klaar aan het andere eind.

          Het leek wel een terechtzitting.

          De jongen en zijn ouders hadden bijbeltjes met veel lipjes. Op iedere opmerking die wij maakten antwoordden ze met een razendsnel gevonden tekst van God zelf.

          Onrustig geworden omdat er geen koffie of thee werd geschonken, waagde Harrie het op een goed moment te vragen om iets te drinken. De beide ouders vertrokken naar de keuken. Terwijl ze daar geruime tijd vertoefden, ging de jongen onbarmhartig door met rake teksten, totdat zijn vader en zijn moeder terugkwamen met ieder een glas water in de hand. Voor ons. Zelf gebruikten ze niets.

          In de loop van de jaren werd ik, zoals iedereen, geregeld bezocht door andere Getuigen, maar ik leerde allengs hoe ik ze aan de deur snel kon afpoeieren. Zelfs die keer dat ze me omsingelden: voor de voordeur verscheen een man met een klein meisje; toen ik van hen af was, bleken een vrouw en een kleine jongen zich achter de achterdeur te hebben opgesteld.

          Maar op den duur ging dat afpoeieren me, ondanks hun vermaarde hardnekkigheid, wat al te gemakkelijk af.

          Zo vorige week. Twee vrouwen, één met hoog opgekamd, zwartgeverfd haar, de ander bijna punk, liepen door mijn tuin alsof die van hen was.

          Wat nu? Hoeren huis aan huis? `Goedendag meneer,' zei de jongste (een jaar of 35). `Wij zoeken nog vriendelijke mensen.'

          `Vriendelijk? Hoezo? Waarvoor?'

          `Vriendelijke mensen die met ons zouden willen debatteren over wat er in de bijbel staat.'

          `Debatteren? Dan zou ik ervan mee moeten kunnen praten. U kunt beter gaan debatteren met mensen die dat boek kennen.'

          `Dan gaan we maar weer een deurtje verder.'

          Zo, daar ben ik weer makkelijk van afgekomen, dacht ik. Maar wacht eens even. Zo komen ze niet van mij af. Ik ga ze achterna en houd ze staande: `Maar dat wil niet zeggen dat ik niet in uw discussie geïnteresseerd ben. Ik zou ze graag willen aanhoren, ook al ben ik in dit stadium nog niet bij machte zelf een vruchtbare bijdrage te leveren.'

          Na aldus te hebben aangekondigd dat ik hen zou vergezellen, bleef ik even hardnekkig aan hen vastklitten als zij aan hun potentiële bekeerlingen. In deze buurt zouden de dames het niet makkelijk hebben. Bij de eerste de beste boerderij was het al raak. `Van mijn erf af! Ik heb je niet 'roepen!' riep de boer en ik zag dat hij zich afvroeg of hij zijn grommende hond in bedwang moest houden.

          In het verbouwde landarbeidershuisje ernaast werd de deur geopend door een in assertiviteit getrainde jonge vrouw die op besliste toon enige malen zei: `De kwestie is dat ik geen belangstelling heb voor uw artikel.'

          De oude man die daarnaast woonde dacht dat wij van het CDA waren. `Als het aan jullie lag, dan was het nog net als in de crisisjaren.' Discussiëren baatte niet.

          `Ksssjt! Weg wezen!' was alles wat we aan de volgende deur te horen kregen.

          In looppas naar het volgende adres, waar een man ons beleefd verzocht hem uit ons adressenbestand te schrappen. `Hebt u niet een plattegrond? Wilt u daarop dan aantekenen dat ik van uw bezoeken niet gediend ben? Want als u nog een keer komt, zal ik genoodzaakt zijn, u te schoppen.'

          Tussen de bedrijven door vroeg ik me af waarom de dames geen kinderen bij zich hadden, ter bescherming, maar ik deed mijn best geen gesprek aan te knopen, anders zouden de rollen misschien worden omgekeerd en zou ik niet van hen af kunnen komen. Ook tegen elkaar spraken ze geen woord, vermoedelijk als gevolg van mijn vriendelijke maar toch storende aanwezigheid. We arriveerden inmiddels bij een dame die helemaal niets zei en alleen een kruis sloeg. Maar de Getuigen fladderden niet krijsend weg, zoals de dame misschien gehoopt had.

          Bij de volgende boerderij hadden ze beet. De boerin was het in alles met ze eens. Daar hadden ze eigenlijk ook niet van terug, maar ze konden nu wel een Wachttoren slijten.

          Daarna gebeurde er iets onbegrijpelijks. We betraden een antiekboerderij; de man die ons tegemoet kwam, zei:

          `Dames, mijnheer, ik ben homoseksueel.' Dat had meer effect dan het kruisteken: we vertrokken in allerijl.

          De vraag naar de plaats van de homoseksuele medemens in het Koninkrijk brandde me op de lippen, maar gelukkig kon ik hem niet stellen, want we arriveerden bij het eerste huis van het dorp. Daar hadden de Getuigen het al erg makkelijk.

          Uit de brievenbus hing een touwtje. Toen ze daaraan getrokken hadden, konden ze zo de gang binnenstappen, waar een boze vrouw hen tegemoet trad met de woorden:

          `Eruit viezerds'. Ze schopte de dames hard tegen de schenen. Gelukkig was ik buiten gebleven. Ik zette het op een lopen toen een man vanuit een andere kamer kwam toegesneld. Ook de dames probeerden zich te redden, maar op de brug wist de man hen staande te houden. Hij dwong hen een boekje te voorschijn te halen en een potlood. `Schrijf op!' brulde hij. `Hogeweg 344, daar wordt voortaan met een grote boog omheen gelopen.'

          Terwijl ze hun gewonde benen bekeken, sloeg ik op de vlucht want vanuit de verte zag ik twee herdershonden naderen.


 

Bewaking van eigendommen

         

Het mag in Nederland bij mijn vertrek dan heet geweest zijn, hier is het badseizoen nog niet begonnen. De gasten uit Napels waar deze badplaats niet ver vandaan ligt, zijn nog niet gearriveerd, Baia Domizia ligt er onwerkelijk verlaten bij in de toch ook hier uitstekende zonneschijn. Het enige levende wezen op het strand is zo'n hond die rechts aan de kim verschijnt en de kustlijn volgt totdat hij links uit het gezicht verdwijnt.

          Maar is het alleen het gebrek aan belangstelling dat deze badplaats zo onwerkelijk maakt? Misschien is het ook het gloednieuwe van de gebouwen. Wat mij betreft, een echte badplaats moet iets van vergane glorie hebben, een vervallen Bristol-hotel en overal verveloze borden waarop met moeite de naam van het desbetreffende strandpaviljoen te lezen valt. Maar Baia is, van een exclusieve plek waar eerst rijke Romeinen en later rijke Napolitanen hun villa's aan zee hebben gebouwd, verworden tot een Bijlmer aan zee: vele tientallen torenflats met spotgoedkope appartementen die nu, in het voorseizoen, nog goedkoper zijn. Omdat we in onze `Residence' de enige gasten zijn, mogen we bovendien een vijfkamerflat bewonen voor de prijs van een tweekamerflat, zo'n twintig gulden per dag, want krenterig zijn ze hier niet. Een flat vijfhoog, dat is nog eens vakantie voor mensen die de rest van het jaar gelijkvloers wonen. Een flat met twee terrassen en als woonkamer een zaal waar gemakkelijk een restaurant in kan worden gevestigd.

          Het is allemaal te mooi om mooi te blijven. Alleen winkels ontbreken, want die gaan hier pas over veertien dagen open. Op de plek, vijf kilometer verderop, waar we wel terecht kunnen, zijn al wat toeristen gearriveerd, uit Zweden, want het betreft daar het Villaggio Svedese, een Zweedse kolonie met veel oudere grotere dames in wijde bloemetjesjurken en een supermarkt waar alle bordjes in het Zweeds zijn gesteld.

          Bij de espressobar hangt wat politie rond, in prachtige uniformen maar toch van een soort hangerigheid die je van agenten niet verwacht. Ze staan sigaretten te paffen, geleund tegen de pui van de bar, en af en toe gaan ze een stukje rijden in donkerblauwe Fiatjes met in grote letters het woord POLIZIA en in kleinere letters eronder PRIVATA. Het betreft dus, blijkt nu, geen echte rijks- of gemeentepolitie, maar employés van een bewakingsdienst. Nu valt het me ook op dat er twee typen — merken zou ik haast zeggen — bewakers zijn, met verschillende uitmonsteringen. Behalve het PARTICULIERE POLITIE-corps patrouilleert hier ook de concurrerende VIGILANZA.

          De naam VIGILANZA had ik al gelezen op emaillen bordjes op de tuinpoorten van villa's, en de donkerblauwe politieautootjes kwamen we geregeld tegen in de stille lanen tussen onze flat en het Zweedse Dorp. Aanvankelijk joegen ze ons eerder angst aan dan dat ze het bedoelde gevoel van veiligheid overdroegen. Sommigen hadden — vonden wij — iets onbetrouwbaars, iets gevaarlijks. Ze waren vaak erg sterk om te zien, en ze droegen duidelijk zichtbare pistooltassen of ze hielden hun armen zo dat je wel een schouderholster moest vermoeden.

          Maar zo groot was mijn angst niet, of ik durfde de eerste avond toch een ommetje te maken door de heuvelachtige laantjes met de villa's. Nergens mensen te bekennen, auto's evenmin, zelfs geen donkerblauwe Fiatjes. Alleen maar goed met luiken afgesloten huizen, vaak ook nog met vensters die door sierlijk traliewerk werden beschermd. Nieuwsgierig liep ik een doodlopend laantje in waar zich iets dat het midden hield tussen een bungalow en een kasteel bevond achter een bordje dat erop wees dat de eigenaar neuroloog was te Napels.

          Voor het begrip van wat nu volgt moet ik eerst vertellen dat ik een niet ongegronde angst voor honden voel. Verscheidene keren per jaar ben ik, tot dusver alleen in stedelijke gebieden, gebeten door honden die ik niet heb geschopt of geslagen of uitgejouwd. Kenners zeggen dat honden aan mij kunnen ruiken of voelen of zesde-zintuigen dat ik bang ben en dat ze daarom bijten, maar dat is geen bevredigende verklaring. Meestal word ik van achter aangevallen, zonder dat ik het monster zelfs maar heb gezien of geroken of via een ander zintuig ervaren. Op sommige plekken waar veel loslopende honden worden uitgelaten, durf ik alleen per auto te komen. Want te vaak ben ik er overvallen, waarbij de eigenaars vergeefs `Hier Kazan' riepen of `Hij doet niks hoor', zonder te zien hoe mijn kleren aan stukken werden gereten.

          Soms reageren de eigenaars nog beledigd ook, je trapt ze op hun ziel door niet zo van hun trouwe vriend te houden als zijzelf, en ze vragen je eventueel je hand in hun bek te steken, want dan houdt hij vanzelf op. Maar ik heb mijn beide handen nog, en ik ben er zuinig op.

          Hier, in dit verlaten dorp, verwachtte ik ze niet. En toch kwamen ze, drie tegelijk, grommend over de muur gesprongen die de villa van de neuroloog omgaf.

          Vluchten heeft in zo'n geval geen zin, honden kunnen harder lopen dan ik. Verstijven van schrik, dat is het enige waar ik in zo'n geval toe in staat ben, want het heeft ooit eens geholpen. Hier hielp het niet.

          Ware het niet dat er juist toen een blauwe Fiat naast me stopte, met mannen die zelfs op honden indruk maakten, dan zou ik nu niet in staat geweest zijn mijn jongste littekens te tonen ten bewijze van wat hondentrouw vermag.


 

Onverklaarbare woningen

         

Sommige huizen dragen een naam die bedoeld lijkt om de voorbijganger voor een raadsel te plaatsen. Zo ken ik een boerderij die UITVLUCHT heet. Waarom? Wat zouden ze daar binnen onder uitvluchten verstaan? Smoesjes, vluchtpogingen, leugens, uitstapjes, vliegtochtjes? Zijn de bewoners de drukte van Den Helder ontvlucht om een agrarisch bedrijf te vestigen aan de enige uitvalsweg die deze doodlopende stad te bieden heeft? Ik zal het gaan vragen.

          Onderweg valt het op hoeveel huizen hier raadselachtige namen dragen. In het dorp halverwege WAHNFRIED, waar ik woon, en UITVLUCHT staat een huis met pal ervoor een immens rustiekhouten bord dat de tekst WAGENINGEN RETOR TILLO draagt. Een eindje verderop staat het omhoogwijzende witte huis dat in forse, strenge zwarte letters het opschrift DILEMMA draagt. Het dorp bestaat uit twee helften, gescheiden door een brede vaart. RETOR T[LLO en DILEMMA liggen aan de overzijde, misschien zijn de namen zo groot uitgevoerd opdat ook bijzienden de teksten vanaf de overzijde kunnen lezen en overdenken. Dat geldt niet voor de woning die even buiten het dorp ligt en waar op een houten bord een tweeregelige tekst staat die ik niet kan lezen, hoe ik ook tuur. Wel valt, een eind verderop en nog steeds aan de overzijde van de vaart, op een oerhollands bakstenen huis de onbegrijpelijke naam KLEIN ZWITSERLAND te ontcijferen.

          UITVLUCHT is een boerderij die een zo propere indruk maakt dat ik me niet kan voorstellen dat hier ooit een koe heeft gepoept. Op het erf en ook achter de ramen is niemand te zien. Geen hond blaft wanneer ik me naar de zijdeur begeef (de voordeur, die alleen via een smetteloos gazon is te bereiken, lijkt niet voor gebruik bestemd). Ik klop, maar er verschijnt niemand. Dan loop ik om het huis heen. Het erf is verlaten en brandschoon, de schuurdeur gesloten. Uitvlucht: het klinkt nogal definitief.

          Misschien is het beter zo, het oplossen van raadsels leidt vaak tot ontzetting.

          Afstand nemend van de boerderij om tenminste met een foto thuis te komen, hoor ik een helikopter en plotseling komt me een banale, hopelijk onjuiste oplossing voor de geest: niet ver hiervandaan is het marinevliegveld De Kooy. Maar het huis en ook de onlosmakelijk ervan in lichtere baksteen uitgevoerde naam UITVLUCHT maken de indruk ouder te zijn dan het vliegveld.

          Op de weg is het nu opvallend rustig, wat na enige tijd verklaard wordt door de nadering van iets onbegrijpelijks: een konvooi dat bijna de gehele breedte van de weg beslaat, zenuwachtige motoragenten, een politiebus met zwaailichten en daarachter een gevaarte dat doet denken aan een groot vliegtuig zonder vleugels. Even later blijkt het een Amerikaanse legerhelikopter te zijn, die met opgevouwen wieken langsrolt en enigszins gaat voorsorteren om linksaf te slaan, richting Breezand, over de niet erg brede ophaalbrug. Waarom? Een helikopter kan toch vliegen? En als hij stuk is, waarom wordt hij dan niet naar De Kooy gereden maar ervandaan? Zou hij straks gaan opstijgen, vanaf de weg naar Anna Paulowna? Omdat er vandaag toch minstens één raadsel moet worden opgelost, sluit ik me aan bij de stoet. Het centimeter-voor-centimeter passeren van de brug duurt zo lang dat ik uitstap en ga kijken. Metershoog boven de weg zit hij, de mythische Amerikaanse helikopterpiloot, een piepjonge, kaalgeknipte albino met een grijns die van een geheel andere beschaving getuigt.

          Na het nemen van nog een brug gaat het gevaarte zich over een lange, lege weg voortbewegen met redelijke snelheid. Ik volg, want ik wil het opstijgen niet missen. Totdat ik niet verder durf, want de karavaan begeeft zich nu op verboden terrein, waterwingebied, en de politieauto rijdt nu achter de helikopter.

          Omdat ik nog steeds nieuwsgierig ben naar het huis met het tweeregelige opschrift, neem ik terug de weg langs de andere zijde van de vaart: ik bedenk dat de naam van een huis even goed kan slaan op de omgeving als op het huis en zijn bewoners zelf; dat die naam UITVLUCHT eigenlijk afleidt van de zogeheten boerderij en de aandacht vestigt op de omgeving; en dat zoiets vaker het geval is met namen van huizen. Zo staan er in mijn dorp naast elkaar twee naar bouw identieke huizen; een paar jaar geleden was het ene verveloos en vervallen, het andere in staat van nieuw en voorzien van een bord HET VERSCHIL; totdat de buurman een grote opknapbeurt ondernam en daarna het bordje HET GROTE VERSCHIL aan zijn gevel bevestigde. Misschien is dit de sleutel tot die andere raadselachtige namen. En inderdaad, nu ik langs KLEIN ZWITSERLAND rijd en een goed uitzicht heb op het uitzicht van de bewoners ervan, zie ik wat zij altijd zien, aan de andere kant van de vaart, half verscholen achter bosschages: een Zwitsers chalet, midden in de polder.

          Maar voor wat voor Dilemma de buren van de bewoners van het grote witte huis zich gesteld zien, kan ik niet ontdekken. Ik zal het eens gaan vragen, maar nu niet.

          Wel heb ik het tweeregelige opschrift kunnen lezen. Het steekt niet alleen in formaat af bij de grote teksten die naar buren of iets geheimzinnigs verwijzen. Ik lees:

dit is ons huis

hier wonen wij


 

Eindelijk evenwicht

         

Weer ben ik in Tjaarda's dwaaltuin beland. Vanwege een feestelijke heropening. Want de zaak is uitgebreid met een paviljoen dat aan de eisen van deze tijd voldoet; de speeltuin is opgeknapt, het wrakke lachspiegelkabinet afgebroken.

          Er waren majorettes, een volautomatisch aandoende organist bespeelde een elektronisch orgel en er werden indrukwekkende feestredes uitgesproken, door de burgemeester en door trouwe klanten, ter ere van de stichter Tjaarda en van de nieuwe eigenaar. De laatste heeft ons verzekerd dat er nieuwe spiegels in bestelling zijn. `Ach, een openingetje,' zei hij schouderophalend tegen mij, nadat hij sidderend van zenuwen zijn dankwoord had gesproken.

          Naast mij zat een forse, bijna houterige man aan wie al deze vreugde niet besteed leek. Hij zweeg, hij bewoog nauwelijks, en hij lachte niet om de anekdoten van de feestredenaars. Toen het officiële gedeelte van de opening voorbij was en iedereen zich naar de tafels met drankjes en zoutjes spoedde, bleef hij zitten, met zijn grote handen op zijn knieën. Hij staarde voor zich uit, door het venster, naar de geheel vernieuwde speeltuin.

          Omdat iedereen in druk gesprek gewikkeld was en omdat ik me wat ongemakkelijk voelde tussen al die mensen van wie ik alleen de oude Tjaarda kende — die bij het feestgedruis slechts schreeuwend benaderd kon worden — richtte ik het woord tot mijn buurman.

          `U lijkt op mijn vader,' zei ik. Want dat was zo.

          `Ik ook,' antwoordde hij, peinzend en starend, `ik lijk ook op mijn vader.' Het bleef even stil. Daarna haalde hij uit zijn portefeuille een fotootje. Twee volwassen mannen op een wip, de ene groot en met de voeten rustend op de bodem, de ander klein en geheel los van de grond. Hun gezichten, gedekt door identieke grijze borsalino's, vertoonden grote gelijkenis.

          Eerst wees mijn buurman de grote man aan, daarna de kleine. `Dit ben ik, en dit was mijn vader. Deze foto is hier in de speeltuin gemaakt, in negenenzestig. Het is het beste aandenken dat ik heb. Vanwege deze foto... vanwege mijn vader ben ik nu hier.'

          Ik merkte op dat geen van beiden gehinderd leek door de aanwezigheid van een fotograaf. Vader en zoon staarden voor zich uit, niet naar elkaar, maar langs elkaar, in de verte.

          Terwijl we opstonden om door de speeltuin naar de doolhof te wandelen, vertelde hij dat zijn vader en hij, ondanks het verschil in postuur, altijd veel gemeen hadden gehad:

          `Mijn vader hield altijd het oog gericht op een verre toekomst. Hoewel zijn tandartsenpraktijk lang niet slecht liep, bleven wij lang wonen in het krappe huis waar mijn vader zijn plannen maakte. Hij voorzag een grote verhuizing over tien jaar, en hij bleef zijn woord gestand. Toen ik zestien was, verhuisden we naar de grootste villa van ons stadje.

          `Zo ging het ook met de auto. Hij spaarde net zolang totdat hij zich er vier kon permitteren, en toen kocht hij dan ook een hele dure en degelijke, die hem wel wat ruim zat. Tot die tijd hadden we het moeten doen met een tandem en een oude damesfiets.

          `Van televisie heb ik met mijn schoolvrienden nooit kunnen meepraten, want mijn vader wist dat ons binnen enkele jaren uitzendingen in kleur te wachten zouden staan.

          `Alles werd altijd uitgesteld. ``Later, als je groot bent'', dat was het antwoord op al mijn vragen naar mogelijke verbeteringen van ons bestaan en ik had me dan ook voorgenomen zo snel mogelijk groot te worden.

          Mijn vader, die zelf nogal klein van stuk was, had altijd de behoefte om mij te kleineren. Zo herinner ik mij dat ik toen ik een jaar of negen was met hem op vakantie ging, op de tandem. Moeder bleef liever thuis voor haar rust. Friesland was ons reisdoel. De achterste trappers waren met blokken aangepast aan mijn te korte benen, maar toch kon ik niet goed bij die pedalen en dat wist hij best. De Afsluitdijk was een marteling, tegenwind, mijn vaders gebogen rug waar ik tegenaan keek en zijn voortdurende aanmaning ``Je trapt niet'' terwijl ik geregeld op de pedalen ging staan omdat mijn liezen gloeiden van het schuren langs het zadel.

          `Zogenaamd om mij te plezieren gingen we hier naar de speeltuin... maar laat ik niet te veel onprettige herinneringen ophalen; mijn vader leed er kennelijk onder dat hij zelf zo klein was. Krieltje hadden ze hem genoemd op dansles.

          `Toen ik eenmaal groot was geworden, bleef het daar niet bij. Ik groeide mijn vader boven het hoofd — wat nu ook weer niet zo'n prestatie was. Ik herinner me de dag dat ik sterker was geworden dan hij. Inmiddels had ik me aardig bekwaamd in het terugpesten, het bloed onder zijn nagels vandaan en op een gegeven ogenblik ging ik zover dat hij me wilde slaan. Maar ik pakte de kleine man bij de polsen en hield hem vast. Met schrik stelde ik vast dat ik geen vader meer had en ik voelde me even verlaten als de hoogste beuk in de tuin van onze villa.

          `Ik wilde de goede oude verhouding herstellen, ik ging me netjes gedragen. Steeds netter naarmate ik hem verder boven het hoofd groeide. Ik zorgde ervoor dat hij de indruk bleef houden dat hij een zeker geestelijk overwicht over me had.

          `Een tijdlang hield ik me zelf dom, om hem niet te kwetsen — daar heb ik een nogal dom gezicht aan overgehouden.

          `Maar toen ik zag dat een te groot geestelijk verschil tussen ons hem verdriet deed, ben ik het vak gaan studeren dat hij met zoveel succes beoefende. Jarenlang hebben we in goede harmonie samen onze praktijk gevoerd.

          `In oktober '69 deed ik hem het voorstel om een oude herinnering op te halen: ``Zullen we nog eens, pa, op de tandem naar Friesland?''

          `Het werd een mooie tocht. Zowel heen als terug was het windstil, zonnig najaarsweer. Vader zat voor aan het beweegbare stuur, ik zag over hem heen Friesland naderen en toen we afstapten bij Zurich wees hij lachend naar het nog glimmende stuk van mijn zadelstang, die zich nu in zijn hoogste stand bevond. ``Herinner je je die blokken nog?'' vroeg hij aandoenlijk naïef.

          `We bezochten hier ook weer de speeltuin en de lachspiegels waarvoor we geruime tijd doorbrachten in de beste stemming. Daarna, het liep tegen de avond, namen we plaats op de grootste wip. Toen vader op zijn plaats zat, vroeg ik me af of ik meer naar het midden zou gaan zitten voor het evenwicht. Maar omdat hij dat misschien als een beetje kwetsend zou ervaren trok ik het hoge eind omlaag, nam plaats op het zitje en bleef staan zonder door de knieën te gaan. Wij keken elkander aan. Woorden hadden we niet nodig. We genoten van de herfstige namiddag en van de harmonie, het evenwicht dat we eindelijk bereikt hadden. Vader vrij zwevend, ik met beide benen op de grond.

          `Hoe lang we daar gezeten hebben zou ik niet kunnen zeggen. Ik wist dat wij beiden aan hetzelfde dachten; aan de opeenvolging van de seizoenen, van de generaties; de verre toekomst. De zon verdween, de kinderen vertrokken, de bladeren vielen hoorbaar van de bomen. Wij bleven.'

         

Toen de tandarts zweeg, hadden we als vanzelf de plek bereikt waar het lachkabinet had gestaan; midden in het labyrint waar zich die middag maar weinigen in hebben gewaagd.

         

In het gras lag een verweerd stuk lachspiegel. De tandarts zette het overeind.


 

Naar de bron

 

1 september

Vandaag bijna vijftien kilometer afgelegd, in totaal dus tweeëndertig, en dat is meer dan de helft van het hele traject. Op zichzelf een mooi resultaat, maar toch begin ik te twijfelen aan het welslagen van de expeditie. Want mijn moreel is gebroken, vanavond om een uur of zes, door een vorm van tegenslag waarop ik niet had gerekend.

          In mijn aantekeningen van de vorige week heb ik mijn hart al gelucht over het banale begin: vakantie aan zee, La Grande Motte, Port Camargue, vlakke stranden achter builenverwekkend lauw water waarin men met moeite de enkels kan bevochtigen. Ook al probeerde ik de zonzijde in het oog te houden, toch vermeldde ik met afschuw de armada van rubberboten en het motorgeronk.

          Maar omdat ik het toen geen vermeldenswaardige gebeurtenis vond, heb ik niet beschreven hoe ik, verdwaald in de wijken van op passagiersschepen lijkende flatgebouwen, eindelijk de uitweg meende te vinden waar ik een lifter zag staan. Toen ik stopte begon hij onwaarschijnlijk veel bagage in te laden. Na 150 meter en een bocht bleek dat ook deze weg doodliep, bij de monding van een flinke rivier. De lifter was `never mind' mompelend, weer gaan uitladen.

          Dat was, herinner ik me nu, het ogenblik geweest dat ik een uitweg en een nieuwe vorm van reizen had gevonden: niet rijdend, varend of lopend, maar zwemmend en met geen andere bagage dan een waterdichte beurs met wat geld, wat papier en een kleine ballpoint.

          De kalme rivier die ik stroomopwaarts ben gaan verkennen, is totnogtoe een goede keus gebleken. De ontberingen zijn erg meegevallen. Wel had ik het vannacht wat koud ondanks de gevonden handdoek. Ik heb toen een methode verzonnen om een slaapzak en wat bagage droog te vervoeren in een waterdichte rugzak, maar het extra gewicht maakt het noodzakelijk onder water te zwemmen, met een snorkel; wat grote nadelen heeft, want er is boven water veel te zien.

          Zo is er vanmiddag, in een stadje dat zijn levendigheid en zijn overstromingen aan deze rivier dankt, naast mij een man in het water gevallen, met een prachtig wit pak aan. Dit in het kader van de beoefening van een traditioneel spel, waarbij mannen met lansen en schilden elkaar van de voorplecht trachten te stoten van rijk versierde galeien waarop zich muzikanten bevinden met trommels en schalmeien.

          Na dit stadje werd de rivier paradijselijk. Het water was haast altijd diep genoeg om te zwemmen, overal leverden dichte bossen de noodzakelijke schaduw, libellen wezen me de weg, onder me zag ik grote voorns en meestal was het zo stil dat ik alleen hoorde dat ik zwom. Ik had goede hoop binnen drie dagen de oorsprong van de rivier te bereiken, ik voelde me alsof ik doende was de bronnen van de Nijl te ontdekken en mijn optimisme werd nauwelijks getemperd door de herinnering aan een vergeefse speurtocht, per fiets, naar de bronnen van de Maas: het einde leek in zicht, ik kon al over de Maas heen springen, maar toen verloren de beekjes zich in overgroeide vertakkingen. Ik besloot dat ik, als deze rivier ergens zou drooglopen, te voet verder zou gaan door de bedding, beschermd door in het stadje gekochte open plastic schoenen.

          Vervuld van deze gedachten passeerde ik een klein kiezelstrand waar lome toeristen lagen en waarlangs een gebruinde vertegenwoordiger zich door vrouw en kind liet voortslepen in een rubberboot, omringd door mensen met kinderen die zich oefenden in de schoolslag. Goed zo!

          Daarna kwam er een dam waarin zich een deur bevond die ik zonder moeite had kunnen openhijsen: dan was het hele strand op slag verdwenen. Maar ik deed het niet, ik vervolgde mijn tocht over de nu eindeloos lijkende rivier en ik had het gevoel dat ik door oerwouden zwom, in de Oronoque of zo, waar ik eens een film van heb gezien, gemaakt door twee dappere Hollandse jongens. Hier natuurlijk; ik herkende zelfs de boomstam waar ze met veel moeite hun kano overheen hadden getild.

          Mijn geluk was volmaakt — totdat ik achter me zacht gegons hoorde. Ik keek om en zag iets naderen dat nog het meest deed denken aan een krokodil. Maar dit is niet de Nijl, dit is niet de Oronoque, hield ik mezelf voor. En ik begon het bovenste deel van het monster te herkennen: de lifter van de doodlopende weg. Hij werd met grote snelheid voortgetrokken door een voorwerp dat hij me vol trots liet zien. Het bestond uit een tweetaktmotortje met schroef en een benzinetank waar de gemotoriseerde zwemmer met zijn bovenlijf bovenop lag. Het geheel had voldoende draagvermogen voor de rest van zijn bagage die zich op zijn rug bevond. Het ding maakte niet eens zo veel lawaai.

          `Mr Livingstone, I presume,' zei hij en hij ging weer liggen om dagen eerder dan ik de bronnen van de rivier te ontdekken.


 

Huize Humor

         

Opnieuw ben ik beland op zo'n onverwacht kruispunt waar uiteenlopende gebeurtenissen met elkaar te maken blijken te hebben, en waar ver uiteenliggende plaatsen (die ik de laatste dagen heb bezocht) in het verborgene met elkaar relaties blijken te onderhouden. Als in een detectiveroman: the plot thickens.

          Het web vernauwt zich. Natuurlijk ligt dat aan niets of niemand dan mijzelf; aan een te vroeg opkomend oktobergevoel; een comfortabele malaise, opgewekt door de omgeving waar ik me bevind: Amiens, middag. Een straatje bij de kathedraal. Een verscholen restaurant, zonder naambord, alleen herkenbaar aan een spijskaart op een binnenplaats. Hoge eetzalen vol damast en kristal en antiek meubilair, her en der verspreid in een ingewikkeld gebouw van gekleurd glas en roestig ijzer.

          Oude wijn, oude prijzen, oude gasten; behalve twee kinderen, die geheimzinnig de hoge paneeldeuren sluiten en openen en zich al verstoppend geruisloos voortbewegen onder lege tafels.

          Een pianola brengt geheel zelfstandig ergens in een ver vertrek het derde pianoconcert van Beethoven ten gehore.

          Wie zou in zo'n omgeving niet die aangename treurigheid ervaren, die aanleiding is tot overwegingen van algemene aard — vooral als hij de afgelopen dagen een aantal dingen heeft beleefd die hij nog niet in rust heeft kunnen verwerken?

 

Om te beginnen, eergisteren heb ik de mensen bezocht die in l9l3 deboerderij UITVLUCHT hadden gebouwd en die, naar aanleiding van het verhaal dat ik deze zomer had geschreven, in een brief opheldering gaven: `Waarom Uitvlucht. M'n schoonvader kocht 15 ha land aan het N.H. Kanaal zonder huis terwijl hij zelf 'n boerderij bewoonde ook in de polder Koegras dicht bij de duinen. Moesten zij naar dat land te werk, werd gezegd, hè wat een uitvlucht, daarvan die naam.' Ze vroegen of ze de bij mijn stuk geplaatste foto mochten hebben. Nieuwsgierigheid deed me besluiten de foto zelf te gaan brengen, naar Julianadorp, waar de stichters nu wonen.

          Julianadorp, het woord zegt het al. De ex-Uitvluchtbewoonster haalde, om te zien of mijn foto erin paste, een album te voorschijn met knipsels over koningin Juliana. De koningin gaat het moeilijk krijgen, dit najaar, en komend voorjaar — las ik. Het is voorspeld door een man die ook al heeft geprofeteerd dat er een eind zou komen aan de kabinetten — Den Uyl, en die ook al voorziet dat Van Agt het moeilijk krijgt. Mijn foto past in het album.

          Ik kreeg ranja en een koekje, en meneer (85) informeerde waar ik woon. Toen ik het hem had uitgelegd, merkte hij op:

          `U bent dus zo'n mannetje uit de stad, die op het land is gaan wonen... U zou ook UITVLUCHT op uw huis moeten schilderen.'

          Harde woorden voor iemand die tracht te vluchten maar telkens wordt achterhaald door harde feiten.

          Het gesprek kwam op huizennamen. `Het huis naast UITVLUCHT heet HUIZE HUMOR. Weet u waarom? Wonen daar humoristen?' vroeg ik.

          `Nee... Het zijn Christelijke mensen...' Christelijk en toch humor.

         

Gisteren bezocht ik, op weg naar Amiens, in Tilburg de tentoonstelling Doolhoven en labyrinten. Wat me daar frappeerde was het soort humor dat het onderwerp teweegbrengt. In een vitrine bij voorbeeld lagen een paar brieven, correspondentie van een Drents genootschap van doolhofzoekers. In een leuk schrijven van B & W van Gieten las ik:

          `Wij menen, dat ook in de briefwisseling tussen u en ons het spelelement (...) niet mag ontbreken. Vandaar de formulering van ons antwoord zoals is geschied.'

          Humor is, zeker in dit verband, een hard feit. Bij de feestelijke heropening van Tjaarda's speeltuin met doolhof te Oranjewoud, een paar maanden geleden, opperde een geleerd familielid van de oude Tjaarda dat ik nog een stuk zou kunnen schrijven over deze uitspanning: `Homo ludens'. In Tilburg vond ik de homo zwaargewicht ludens terug in de in het Hoogduits gestelde teksten bij de ontwerpen van de kunstenaar Constant voor het nieuwe Babylon: `Das Raumgefüige von Labyr stellt bereits den Zustand des Spielens her — jeder, der Labyr betritt, befindet sich schon durch seinen Aufenthalt innerhalb eines spielenden Raumgefüge ins Spielen gesetzt.'

         

Ik was op weg naar Parijs. Maar dat lijkt altijd te moeten mislukken. Ook nu ben ik uit de koers geraakt. Iets houdt mij altijd van mijn doel af, en daar leg ik me maar bij neer. Huize Uitvlucht. Te Bapaume heb ik de rechte weg verlaten om naar Amiens te sturen en daar te slapen. Geen zin om verder te gaan, want het is hier goed en alles is voorhanden, ook een Notre Dame.

          Mijn onstandvastigheid werd beloond. Midden in de kathedraal bevindt zich een labyrint, met in het Centrum een in koper gegraveerde tekst. Terwijl ik trachtte die te lezen, zag ik twee uitzonderlijk mooie vrouwenvoeten in open schoenen, en ik hoorde een bekende mannenstem:

          `Julia, dit is die meneer die dat stukje over mij heeft geschreven.' Totteren! Ik dacht dat hij misschien boos zou zijn omdat ik zijn culinaire rubriek kruiperig had genoemd, maar hij vond zelf ook dat hij er maar eens mee moest ophouden — zijn eetlust nam trouwens af. Totterens sjieksportief geklede Julia was bezig haar weg te zoeken door het labyrint, en ik vertelde haar wat ik gisteren nog in Tilburg had gelezen: in de vorige eeuw werden de labyrinten uit de kathedralen verwijderd omdat de kinderen er speelden en daarbij teveel lawaai maakten.

          `En dit is dus nieuw,' zei ze. `Spelen de kinderen dan niet meer?'

          `Misschien zijn de katholieken weer wat speelser geworden', zei Totteren. Homo ludens en toch christelijk, dacht ik.

         

Was Totteren hier, dan zou zijn eetlust wel terugkomen. Bij de dame die me bedient, informeer ik naar de pianola. `Het is wél een band', bekent ze. Maar dat verklaart niet het geheimzinnige van de klank, die zijn weg hierheen lijkt te vinden door talloze kronkelige gangen.

          Later zal ze het geheim ontsluieren, wanneer ze van een groot kistachtig meubelstuk een kristallen vaas met rozen verwijdert, een deksel opent, de daaronder verborgen bandrecorder bedient en het geluid weer smoort onder het deksel. Zo moet Beethoven zijn eigen muziek hebben gehoord, bij het naderen van de doofheid.

          Als de omgeving meewerkt, en de wijn, kan eten ontroerend mooi zijn. Totteren zou het misschien onder woorden kunnen brengen. Zouden ze misschien extra hun best doen, zouden ze denken dat ik Totteren ben, of Michelin? Ik zit immers te schrijven.

          Was Totteren hier maar, met zijn speelse dame. Ze moest eens weten: in de Middeleeuwen moesten de zondaars bij wijze van boetedoening kruipend hun weg zoeken door zulke kerklabyrinten. Maar misschien was dat ook wel een soort spel, net als dat van de kinderen, die nu worden verjaagd omdat ze elkaar achternazitten onder de tafels van bejaarde gasten.


 

 Langs gedenktekens

         

In Rijsel en Atrecht ruikt het nog naar patat, maar in Bapaume ben je echt in Franknjk.

          Veel is het niet, Bapaume, maar er is bijvoorbeeld wel een winkel waar ze mollenklemmen verkopen. Aan de tekst op de verpakking zie je al dat je je in het gebied van de Franse Cultuur bevindt: `Toppunt van ironie: wanneer de mol gevangen zit, is hij het zelf die een rood vlaggetje uit de grond doet oprijzen om aan te geven dat de val zijn werk heeft gedaan.' Een blauw-wit-rood vlaggetje, het is een waardiger grafmonument dan dat wat herinnert aan de Duitsers die, niet ver hiervandaan bij Miraumont, levend werden begraven in een ingestorte krijtgroeve. Tegen het eind van de Eerste Wereldoorlog.

          In het stadje Albert had ik in de bar van een klein hotel afgesproken met Julia, die me vanuit Amiens tegemoet was gereisd. Om onbegrijpelijke redenen is Albert ruim voorzien van boven walmende en lawaaiige snackbars gelegen hotels. Die nacht was het feest in de snackbar, de volgende ochtend was het nog feest,en we gingen op weg in een stemming die ontvankelijk maakt voor alles wat zinloos is. Herbécourt, zo heette het dorp waar we uitstapten om een foto te maken van een feestzaal die eerder een bunker leek. Een oude man kwam op ons toe, spelde luid het NL van mijn nummerplaat en zei: `Leer mij de Hollanders kennen. Een sober volk. Ze zijn hier geweest om aardappels te kopen.'

          We vroegen naar de bouwstijl van feestzaal en omringende gebouwen `C'est le style italien,' zei de man. `Na de oorlog van 14 is het hele dorp herbouwd door Italianen.' Ik merkte op dat, naar deze gebouwen te oordelen, ook de Italianen een sober volk vormden, maar dat wees hij van de hand, met een zuur gezicht dat een bittere herinnering suggereerde. En hij begon te praten over de `Eerste Oorlog'. Hoe ze al die tijd in de kelder hadden gezeten. Hoeveel granaten er waren ontploft, en hoeveel nog niet. Hoeveel gifgas er nog in de grond zat. En op welke akkers sinds 18 niets meer wilde groeien. Hij wees ons de weg naar die dorre velden en deelde terloops mee dat om vijf uur een zoneclips waarneembaar zou zijn.

          Kort daarop stopten we bij een klein, door bossen omsloten soldatenkerkhof. This cemetery was built and is maintained by the Commonwealth War Graves Commission. Achter een koperen deurtje in de lage bakstenen muur die het begraafplaatsje omgeeft, lag het boek. Ik nam het open sloeg het open terwijl het begon te regenen. `They are all heroes' heeft iemand uit Eindhoven geschreven.

          Terwijl we lazen begon de inkt door te lopen. We vluchtten met het boek de auto in, de regen werd slagregen, daarna hagel.

          `Verzorgd gazon. Goed onderhouden begraafplaats', schrijft een Belgische bezoeker, maar een groep Fransen heeft twee bladzijden gevuld met aanmerkingen: `Gras te kort. Poort te laag. Linker gedeelte niet vlak. Sparren slecht gesnoeid. Cirkels niet rond. Kruis slecht gecentreerd. Ingang slecht ontworpen.'

          Een ander wijst erop dat deze kleine begraafplaats, waar soldaten liggen die in de Eerste Wereldoorlog hebben gevochten voor de vrijheid, recht tegenover een bos ligt dat in handen is van het kapitaal. Verboden toegang.

          `Please erase the Swastika', vraagt iemand uit Nieuw- Zeeland. Men heeft geprobeerd het hakenkruis van de achterkaft te verwijderen, het is ten dele gelukt.

          `Waarom? Voor wie?' staat er in het Nederlands. De op het dak neerdonderende hagel isoleert ons. `Ik voel me zo ontzettend levend,' zegt Julia, en ik voel dat ze rilt.

          Bij het vallen van de avond liepen we over de volmaakt gemaaide heuvel waarop zich het kolossale monument bevindt met de tienduizenden namen van vermisten uit diezelfde oorlog. Het was of hier nooit iemand anders ooit geweest is, het leek of we een restant van een onbekende beschaving ontdekten.

          Daarna hebben we, terwijl de zon doorbrak, een even keurig kortgeknipt slagveld gezien, tussen Thiepval en Beaumont-Hamel, met goed onderhouden loopgraven. Ik ben omhooggeklommen om vanaf het monument de zoneclips te kunnen waarnemen, Julia is afgedaald in het dal waar het gebeurd was: de Britten lagen in Thiepval, de Duitsers in Beaumont-Hamel, daartussenin ligt een vallei. De Britten kregen bevel het dorp met de Duitsers te veroveren. Met Schotse muzikanten voorop liepen ze, in paradepas, de Duitse mitrailleurs tegemoet.

          Vijftienduizend soldaten zijn er gesneuveld, in paradepas. Het is me verteld door meneer Lecocq, die op zijn eentje in een toren te Schagen een museum heeft opgebouwd dat is gewijd aan de Slag van de Somme. In dat museum staat een maquette van wat er in 1917 gebeurd is tussen Thiepval en Beaumont-Hamel.

          Bij de slagvelden zijn geen teksten te vinden die verklaren waar het allemaal om te doen was. De namen zijn bewaard, de zaak is vergeten.

          Op het heuveltje met het monument heb ik lange tijd staan turen naar de zon, die ongeschonden achter hogere heuvels verdween.


 

Een onzichtbaar obstakel

         

Niet durven vliegen, bang zijn voor autorijden, dat zijn dingen waar over te praten valt.

          Maar niet in de trein durven — het is verstandig zoiets vóór je te houden. Naar men zegt is het een ongegrond soort vrees.

          Want waar ben ik eigenlijk bang voor? De uniformen van de conducteurs? Nauwelijks. Pas heb ik nog met twee politieagenten gepraat, heel gewoon, zonder te stotteren of hees te worden, een hand in de zak bij wijze van spreken. Bang voor botsingen, ontsporingen, dijkverzakkingen en andere treinrampen? Een beetje misschien, maar wie niet helemaal voorin gaat zitten loopt weinig risico. Bang voor kapingen? Mijn angst voor treinen dateert van voor die tijd.

          Nee, het is werkelijk onredelijk.

 

Paarden willen soms opeens niet verder, alsof een onzichtbaar obstakel hun het voortgaan belet. Daarmee is hetgeen mij bij mijn laatste treinreis is overkomen het best te vergelijken.

          Lange tijd was ik van mening dat het lafheid of gemakzucht zou zijn als ik me bij mijn treinvrees neerlegde. Ik moet me ertegen verzetten, vond ik. De remedie zou te vinden zijn, leek me, in een exacte herhaling van mijn laatste treinreis, om de ban te verbreken. Of misschien zou ik al baat vinden bij een nieuwe confrontatie met het denkbeeldige obstakel; met de plaats waar het gebeurd was.

          Wat was er gebeurd?

          Hoewel mijn woonplaats niet per trein en ook allang niet meer per tram of bus bereikbaar is, deed ik mijn best en volbracht ik mijn frequente reizen naar Amsterdam voorzover noodzakelijk per auto en voorzover mogelijk per trein.

          Op een avond als een andere — zo leek het — kocht ik onder de overkapping van Blom & Van der Aa een blikje bier en stapte gewoontegetrouw naast de wachtkamer in het verouderde, speciaal voor forensen rollend gehouden groene materieel.

          Maar er was die avond toch iets een beetje anders, en dat lag niet alleen aan het gure weer. De trein was misschien wat verder doorgereden dan gewoonlijk. Een uur later zou ik het pas merken. Het had me moeten opvallen dat ik geen enkel vertrouwd gezicht zag, maar de route leek niet van de gebruikelijke af te wijken. Zaandam; Castricum; Alkmaar; Heerhugowaard — het laatste station voor Schagen waar de auto wachtte.

          Na Heerhugowaard bleef ik eenzaam achter, en toen de trein vaart minderde, nam ik de laatste slok van mijn bier en trok ik mijn jas aan.

          Schagen zag er die avond anders uit. Het neon van de vleesverwerkende industrie werkte niet, en ook de straatverlichting was blijkbaar gedoofd. Pas toen de trein achter me optrok, drong het tot me door dat ik me niet in Schagen bevond, maar in een soort parallelle werkelijkheid.

          Zo stel ik me de dood voor: bij het goede huisnummer in het verkeerde flatgebouw aanbellen, je eigen deur openen met je eigen huissleutel en in je woonkamer vreemde personages aantreffen met opmerkelijk meubilair.

          Ik bevond me te Obdam, tussen Heerhugowaard en Hoorn zoals Schagen tussen Heerhugowaard en Den Helder ligt. Obdam, het Schagen van de andere wereld. Er was niemand, zelfs geen personeel: een onbemand station, een Vliegende Hollander op het droge, met automaten voor kaartjes, en een bord met SPOORKAARTJES EN ABONNEMENTEN BIJ DE WEDERVERKOPER. Er hing geen automaat voor soep of koffie.

          In de ruimte die als wachtkamer dienst moest doen, heerste een wanorde die deed vermoeden dat hier sinds lang niemand meer hoopvol had gewacht op een trein — dat hier alleen nog maar ontucht werd gepleegd, ondanks weer en wind die er vrij spel hadden, en ondanks een bordje dat de toegang tot het station gedurende de nachtelijke uren verbood.

          Voor mij stond het vast: mijn trein had door een misverstand, een soort ontsporing, de wereld der levenden verlaten. Ik zou nooit meer weg kunnen. Buiten het station viel geen teken van leven waar te nemen. Maar toen ik na lang wachten op zoek ging naar het bijbehorende dorp sloten de spoorbomen zich voor een eindeloos lange, onverlichte trein die naderde uit de richting Hoorn. Een trein die vaart had geminderd, en stopte. Onverlicht, onverwarmd, en zonder ook maar één reiziger voorzover dat in het duister viel uit te maken. Een spooktrein die mij kwam halen.

          Sidderend stapte ik in, en ik wachtte, bleef wachten. Na lange tijd ben ik uitgestapt om helemaal naar de kop van de trein te lopen, waar ik informatie wilde inwinnen bij de bestuurder. Terwijl ik probeerde in de onverlichte cabine een bestuurder te ontdekken, sloten de deuren zich en trok de trein op. Vliegende Hollander op rails. Automatische spoorbomen, automatische stations en treinen, maar geen koffieautomaat.

          Vier uren gaans was het, dat zal ik me altijd blijven herinneren. En dat allemaal vanwege een onzichtbaar en natuurlijk niet bestaand obstakel.

         

Ik heb Obdam opnieuw bezocht. Per auto. Moest in Heerhugowaard zijn, zag daar de veelbetekenende plaatsnaam op een wegwijzer, en besloot te gaan kijken of het werkelijk zo erg was.

          Natuurlijk niet. Er zaten zelfs passagiers in de helemaal niet smerige, zij het wel kille, wachtkamer. Alle ruiten waren heel, nieuw aangekomenen trokken kaartjes uit goed functionerende automaten. Er kwamen, op het volle uur, twee gele treinen tegelijk, die de reizigers meevoerden. Niets aan de hand. Ik had best meegewild.

          Ik keek beide treinen na, en keerde me daarna om, met de bedoeling via het stationsgebouwtje naar de auto te lopen. Dat lukte ook. Wel zag ik door de ruit, dat in de wachtkamer een vrouw stond, onbeweeglijk, in mijn richting kijkend, maar zonder me te zien. Ze veranderde zelfs niet van houding toen ik een foto van haar maakte.


 

Op winterreis

         

Atrecht, 5 januari — Toen gisteren de waterleiding bevroor; toen de levensmiddelen bijna op waren; toen de stroom uitviel; toen de steile oprit die van mijn huis naar de dijkweg leidt door sneeuw bedolven was; toen Big Brother Radio deelname aan het verkeer afried zo niet verbood; toen moest ik eruit, al was het maar om wat boodschappen te doen.

          Toen vond ik het nodig urenlang sneeuw te ruimen om de auto mobiel te maken. Toen reed ik glibberend en slingerend omhoog en naar het stadje met de supermarkt. Ongehinderd door ander verkeer.

          Bij de supermarkt was het brood op. Waren de aardappels op. Was er nog veel meer op. Weldra zou misschien alles op zijn, vreesde ik.

          Op de vlucht dus. Het land Uit. Zuidwaarts. De al zo vaak uitgestelde reis naar het gezellige warme Parijs ondernemen. Wel eerst de ANWB opbellen, ook al had de radio dat verboden, juist nu. `Vlaanderen en Noord-Frankrijk? Geen probleem. Nee, geen sneeuw.' Goed zo, ik haat dat wit dat alle landschappen gelijkschakelt, alle geluid dempt, alle activiteit lamlegt.

          Drie uur later — gistermiddag vier uur was dat — bereikte ik de Belgisch-Franse grens. De sneeuw die ter hoogte van Doornik de wegen onveilig maakte, was meer dan drie uur oud, zo werd me verzekerd. In een eetgelegenheid bij Rijsel lag de France-Soir met over de volle breedte de kop C'est une catastrophe, waarmee op de toestand van de wegen in de omgeving van Parijs werd gedoeld.

          Bij de afslag Atrecht besloot ik niet verder te gaan en een hotel te nemen vlak bij het station, om de volgende ochtend per trein verder te reizen. Ik had immers mijn treinvrees overwonnen.

         

De sneltrein van tien voor tien is keurig op tijd binnengelopen, hier in het Station van Atrecht, waar ik met tevredenheid een affiche van de SNCF heb bekeken: er staat een trein op die, met een blauwe ijsmuts op zijn hoofd, door een sneeuwlandschap snelt, en de tekst wijst erop dat er `s winters toch maar niets boven het spoor gaat. Redécouvrez les Chemins de Fer, hoe vertaal je dat voor de NS: Ontdek de Spoorwegen opnieuw of iets in die geest, een boodschap voor de automobilist.

          Maar nu ik hier zit, in dit luxe treinstel waarvan buiten- én binnendeuren ondanks de felle koude automatisch openen en sluiten en waarin iedereen, ook de tweederangs reizigers tussen wie ik me bevind, over een verstelbare vliegtuigstoel, een uitklaptafelije en een eigen ventilatie beschikt, nu ik hier werkelijk comfortabel gezeten ben, begin ik toch te twijfelen. Want ik zit hier nu al ruim twintig minuten en de trein heeft zich nog niet in beweging gezet. Het lijkt overigens niemand ongerust te maken, dus wat zal ik me opwinden. Ze kunnen hier verschrikkelijk hard rijden met die treinen, misschien halen ze de vertraging wel in.

          Een deel van de lichten wordt nu gedoofd — een goed teken; in vliegtuigen doen ze dat soms ook voor het opstijgen.

          Maar nu gaan alle lichten weer aan.

          Niemand reageert. Wel stappen er nog wat mensen in. Zeker passagiers voor de volgende trein. Niemand vraagt zich hardop afwat er eigenlijk aan de hand is. Bijna halfelf is het nu. Ik zou wel eens willen informeren, maar nergens is treinpersoneel te bekennen. Die conducteurs zijn wel wijzer, die verstoppen zich natuurlijk ergens als er iets niet in orde is.

         

Door het wat smalle gangpad wandelt nu een aantal reizigers met koffers in de richting van het voorste treinstel. Om straks iets eerder in Parijs te zijn natuurlijk. Iemand stoot met zijn koffer tegen mijn linkerschouder en verontschuldigt zich.

          Waarom voel ik me eigenlijk zo onrustig, zo opgesloten in een stilstaande trein? Ik kan er toch zo uit als ik wil. Kijk eens naar je medereizigers, die dragen hun lot met gelatenheid. Neem die man tegenover je, met zijn hoornen bril op zijn paaseivormige hoofd — van koninklijken bloede zeker — hij heeft zich nog niet verroerd in de drie kwartier die we tegenover elkaar zitten. Zijn mollige linkerhand ligt over zijn mollige rechterpols, op zijn doublé horloge kan ik voortdurend de tijd bijhouden, zij het ondersteboven. Het is alsof hij slaapt, maar zijn ogen zijn geopend en staren.

          Een van de passagiers die zich naar voren begeven, stoot haast mijn bril van mijn hoofd. Beleefd keert hij zich om en glimlachend zegt hij: `C'est pas grave.' Hindert niet. Dat is nog eens beschaving.

          Nu zou ik wel eens willen weten wat er aan de hand is. Of op zijn minst met iemand een gesprek beginnen over het weer en de ongemakken die het met zich meebrengt. Maar met wie? Het is alsof ik me in een wassenbeeldenkabinet bevind.

          De jongen naast de man met de hoornen bril heeft eerst nog even een krant ingekeken, nu slaapt hij. Links tegenover me zit een jongen, met twee horloges om, te grijnzen zoals alleen Fransen kunnen grijnzen — Yves Montand, Belmondo. Voor geen goud zou ik hem aanspreken. Wat valt er nu nog te grijnzen. Twee horloges. Kwart voor elf.

         

Geen treinreiziger zonder horloge, vanwege de haast om de trein te halen zeker. Maar kalmte en berusting kenmerken de sporende mens zodra hij eenmaal zit. Het oponthoud gaat trouwens van de werktijd af.

          Nu loopt er zelfs niemand meer door het gangpad. Het wordt niets. Parijs zal ik nooit bereiken. Alweer niet. Als ik er niets aan doe, raak ik misschien ook in de verstarrende betovering die over dit station, deze trein, deze mensen is gekomen. Als ik niet vlug opsta en uitstap, zal de verstarring zich ook van mij meester maken.

          Het begint weer te sneeuwen.


 

Plaatsbewijzen

         

Nadat ik was uitgestapt omdat de trein na een uur nog niet vertrok, zag ik op het perron voor het eerst enige bedrijvigheid. Uit een aan de overkant staande wagon die blijkens een koperen bord uit 1928 dateerde, stapten twee spoorwegbeambten van wie een zich naar de kop van onze trein begaf en een ander naar de tunnel die leidde naar de uitgang. En naar de stad Atrecht, waar ik hoopte ondanks de sneeuw toch nog wat tekenen van leven te ontwaren — want daar had ik behoefte aan, na een uur te hebben doorgebracht in een roerloze trein met roerloze medepassagiers. Ik volgde hem, tot aan het loket waar ik mijn kaartje tweedehands wilde verkopen aan de man die me ruim een uur tevoren vriendelijk had weggelokt uit een lange rij wachtenden voor een ander loket en die me toen verteld had dat haast niemand zich bij zijn loket vervoegde omdat hij geen Parijse metrokaartjes verkocht en zijn concurrent wel. Het was aardig bedoeld geweest, ook al wist ik dat ik er niet veel mee opschoot, want in Parijs zou ik weer in een lange rij moeten wachten, voor mijn metrokaartjes.

          Weer was de lokettist erg vriendelijk, maar hij wilde me wat bedenktijd geven alvorens mijn kaartje terug te kopen. Hij had gehoord dat mijn trein nu echt op het punt stond te vertrekken, en dat ik me misschien wel zou moeten haasten om hem te halen.

          Ik haalde hem, en ik hernam mijn oude plaats, tegenover de man die met open ogen sliep.

          Al toen ik ging zitten, stegen er klikkende en sissende geluiden op van onder de wagon, en even later reden we. Precies op dat moment openden zich de automatische glazen deuren van het compartiment om een kaartjescontroleur door te laten. Zou ik hem vragen wat er eigenlijk aan de hand was geweest? Ik besloot er maar niet meer over te praten — we reden immers.

          Zoals een hengelaar vanuit een roerloze positie plotseling in actie komt wanneer hij zijn dobber ziet bewegen, zo veranderde de conducteur van houding toen hij mijn kaartje zag. Hij strekte zijn rug, nam een imponeerhouding aan en zei, na enig zwijgen, iets in de geest van `Pas composté, terwijl hij met een vinger tegen de rechterbovenhoek van mijn kaartje tikte. Niet met compost bemest, vertaalde ik snel, maar omdat ik niet begreep waar dat op sloeg, kwam ik tot de conclusie dat ik de Franse taal voor deze situatie onvoldoende beheerste, en daarom viel ik maar terug op mijn voor moeilijke situaties gereserveerde Engels.

          De medereizigers ontwaakten. De man tegenover me wees met een dikke vinger naar de rechterbovenhoek van zijn kaartje, waar een hoekje uit was gehapt, en iedereen begon me in allerlei talen uit te leggen dat ik het plaatsbewijs in een rode automaat had moeten stoppen, een handeling die niet alleen een hoekje kostte, maar ook een stempeltje op de achterkant opleverde.

          `Uw kaartje is niet geldig,' zei de conducteur, en hij verwijderde zich snel.

          Terwijl ik wachtte op wat er zou komen, overwoog ik wat ik straks zou moeten doen, wanneer ik uit de trein en in de sneeuw zou worden gezet.

         

Een hele tijd gebeurde er niets. We waren niet ver meer van Parijs toen drie controleurs tegelijk begonnen aan een scrupuleus hernieuwd onderzoek van alle kaartjes. Vlak bij mij gearriveerd raakten ze in opgewonden discussie naar aanleiding van het biljet van een aan sigaretten verslaafde jongeman. Dat was mijn redding.

          In het Parijse Station van het Noorden was de file voor metrokaarijes nog langer dan ik gevreesd had. Ik begon de vriendelijke lokettist uit Atrecht te verwensen, omdat hier opnieuw een gat uit mijn dag zou worden gehapt, toen een vriendelijk oud vrouwtje naast de staart van de rij kwam staan en riep dat ook zij kaartjes verkocht, tegen het normale tarief. Ze maakte er haar beroep van carnets te kopen (dat waren vroeger boekjes van losjes aaneengenaaide tickets, nu zijn het gewoon kleine stapeltjes kaartjes die met quantumkorting worden verkocht) en de losse kaartjes door te verkopen voor de losse-kaartjes-prijs.

          Ook metrobiljetten moeten gecomposteerd worden, maar bij de ondergrondse spoorwegen is alles volmaakter, fouten zijn uitgesloten want het biljet werkt, terwijl het wordt afgestempeld, als een sleutel op het tourniquet dat toegang verschaft tot het perron.

          Langzaam kwam mijn zelfvertrouwen terug; hier wist ik de weg. Maar het blijft oppassen voor de buitenman in een vreemde stad. Mijn vriend Totteren heeft me eens verteld hoe hij vanuit het venster van zijn woning aan de Overtoom zijn ouders, boerenmensen uit de Achterhoek, nakeek. Ze wachtten op de tram, en toen deze gearriveerd was, sleurde de oude heer Totteren, werkend met de ellebogen, zijn vrouw met grote zelfverzekerdheid door de middelste deuren naar binnen — om even later weer bedremmeld naar buiten te komen en struikelend naar het achterbalkon te hollen — want het waren de jaren dat men zonder kaartje achter instapte.

         

De terugweg verliep onverwacht vlot. In het Station van het Noorden hangen grote borden, die de reiziger er in drie talen op wijzen dat hij zijn biljet moet composteren. Voor de zekerheid heb ik beide uiteinden van het kaartje in de machine gestopt.


 

De bevrijding

         

Vannacht is de hoogte van het sneeuwduin achter het huis aangegroeid tot hier en daar ruim twee meter. Ergens binnenin die witte berg — dat weet ik — bevindt zich de auto. Omdat ik vrees dat dak of ruiten zullen bezwijken, probeer ik wat sneeuw weg te duwen, terwijl Floortje zich vermaakt met klimpartijen. Hier, in de luwte van het huis, is het nog wel mogelijk om iets te doen, maar aan de voorkant, waar ik een paar beijzelde boomtakken die tegen het rieten dak zwiepen, probeer af te knippen, is het in de sneeuwstorm niet uit te houden. Floortje wil op verkenning uit; naar de buren. Ik roep dat ze dat niet moet doen omdat ze in de sneeuw zou kunnen wegzakken, maar ze hoort me niet vanwege de storm of ze wil me niet horen en gaat toch op weg en klimt zonder erin te zakken over de sneeuwwal bij de dijk. Wanneer ik haar achterna probeer te klimmen, zak ík wel weg, tot mijn middel. Met grote moeite weet ik me te bevrijden en bereik ik de dijk. Floortje staat al tegenover het huis van de buren, aan de rand van een twee meter diepe afgrond, die aan een krijtrots doet denken.

          Herhaaldelijk diep wegzakkend bereik ik het huis, Floor loopt gewoon bovenop de sneeuw, de voetstappen van een meisje van vijf zijn licht. De deur wil niet meer dicht, naar binnen gestoven sneeuw is aan de drempel vastgevroren, een kwartier lang ben ik met hamer en beitel bezig om hem weer in het slot te krijgen, terwijl de oliekachel ploft als gevolg van de tocht. De walm is benauwend, maar als ik het venster open, ploft de kachel opnieuw.

         

Hier is sprake van isolement, besef ik.

          Mijn eerste reactie is: iemand opbellen, doet er niet toe wie. Maar door de telefoon hoor ik gesprekken van anderen, een zoemtoon krijg ik niet. Later probeer ik het nog een paar keer tevergeefs.

         

Donderdagavond

Plotseling een klein wonder. Er werd op een van de door sneeuw totaal ondoorzichtige ruiten getikt, en na wat graafwerk in vers aangewaaide sneeuw kon ik tot grote vreugde van Floortje en mijzelf onze twee buurmeisjes binnenlaten. Handig als ze zijn, hadden ze met behulp van een ladder over sneeuw en sloot door het land achter onze huizen weten door te dringen tot onze tuin. We bespraken onze proviand, deelden koffie en brood en maakten plannen voor een fourageertocht, te voet, naar Schagen. Zaterdag. Tot dan toe hebben we voldoende voedsel.

          Weer probeerde ik de telefoon, deze keer met resultaat. Een vriendin, die een eind verderop aan de dijk woont, deed ooggetuigeverslag van een mislukkende uitbreekpoging, ondernomen door haar huisgenoten.

          Toen de buurmeisjes vertrokken, plofte de kachel weer, en was ik weer lange tijd bezig met het sluiten van de voordeur. Floortje was geleidelijk in een heel opgewekte stemming geraakt. Met een feestmuts opliep ze zingend door het huis. Maar zelf word ik nogal nerveus, ik tel de boterhammen na, met inbegrip van de harde, die ik toch maar niet aan de vogeltjes heb gevoerd. Vergeefs probeer ik wat te werken, maar ik kan me niet concentreren, ook niet nu Floor rustig ligt te slapen.

          Dan maar de tv. Een interview met een geïsoleerde boer. `Nog maar voor een paar dagen eten.'

          Het besef dat hier iets zeer ongerijmds plaatsvindt. Ook al blijft de interviewer buiten beeld, hij is toch maar mooi tot die boer doorgedrongen. Zeker een boerenwoonkamer geïmproviseerd, daar in de studio. Valt nog mee dat ze Johan te Slaa niet hebben gehuurd om voor boer te spelen. Een interview met iemand die niet bereikbaar is, het toppunt van televisie.

         

Vrijdagochtend

Volkomen stilte. Toch meen ik heel in de verte een claxon te hebben gehoord. Kan haast niet. Zojuist de voordeur geopend: de sneeuw staat er tot boven mijn middel. Bij de achterdeur nog meer. Nog steeds veel wind, nog steeds stuift de sneeuw.

         

Vrijdagmiddag

Me een weg gebaand door de achterdeur. Een haarspeldbocht gegraven om op de dijk te kunnen komen. Er kwam een man langs met over de schouder een schop waaraan een boodschappentas hing. Heel in de verte zag ik een zwaailicht van een machine.

          De levensmiddelen geïnventariseerd. Vier kilo rijst, een blikje goulash, stuk kaas, restje koffie, pak broodjesmix en genoeg pindakaas. Geen suiker meer.

          Op de dijk een grote trekker gesignaleerd. `Ik heb hier geen boodschap,' zei de bestuurder. `Ik werk voor het waterschap.'

          Omdat er iets zal moeten gebeuren, een uur getelefoneerd met achtereenvolgens de rijkspolitie, de gemeentewerken, het hoogheemraadschap, loonbedrijven en kraanverhuurders. Zonder resultaat. Eerst worden de wegen geruimd waar bussen rijden. Hier rijden geen bussen, nergens in de verre omtrek.

 

Vrijdagavond

Opgebeld door een van de buurmeisjes. Haar broer is per auto vanuit Hoofddorp, waar hij woont, hun huis tot op 1 kilometer genaderd. Of ik mee wil naar Schagen. Floortje blijft bij de buurvrouw, wij gaan door de kniehoge sneeuw met tassen op weg naar de reddende auto. Onderweg komen we een man tegen wiens gezicht hardblauw is: hij loopt tegen de wind in.

            Op de terugweg lopen we door de weilanden, waar het minder waait en waar de sneeuw ook niet zo hoog ligt. Maar proviand voor een week is zwaar.

           Aan het eind van de middag komt de verlossing, lijkt het. Een graafmachine begint zomaar bovenaan de oprit een gat te graven in de sneeuw. Om te zien waar het pad is geweest. Na een kwartier geeft de machinist het op. Onbegonnen werk. Morgenochtend — belooft hij — komt er een nog grotere machine, een shovel.

         

Zaterdagochtend

Wachten op de shovel. Floortje houdt op haar speelgoedklok zo goed mogelijk de stand bij van de echte klok — van minuut tot minuut. Daarna begint ze aan haar grootste en moeilijkste puzzel.

         

Zaterdagmiddag

Geen machine te zien. Af en toe de dijk op, om te kijken of er ergens een aan het werk is. Gisteren is hier in de buurt een aantal opritten uitgegraven, en ook de weg op de dijk is een beetje berijdbaar gemaakt. De eerste auto die in de buurt kwam was de postauto — maar die raakte vast. De post werd van huis tot huis doorgegeven. De krant van vrijdag. Grote kop: `In het noorden wordt de situatie weer normaal.'

 

Zondag

Gisteren, aan het einde van de middag, is de reddende machine toch nog gekomen, om zich eerst in twee uren een weg naar beneden te banen en daarna mijn auto naar boven te hijsen.  De machinist had ons — als moeilijkste geval — voor het laatst bewaard.

          Bij het hijswerk bijna het leven gelaten. Toen ik de zware ketting om mijn trekhaak had vastgemaakt, schoot deze los van zijn bevestiging aan de machine. Een zware ijzeren ring trof mijn achterhoofd.

          Maar ik leef nog, en we kunnen weg. We moeten weg.


 

De Grossglockner

         

Een genootschap dat als ik me goed herinner Sectie heet en dat bestaat uit te Zijpe woonachtige beeldende kunstenaars, schrijvers en musici, had Julia en mij uitgenodigd voor een feestelijke bijeenkomst ten huize van de etser P. We troffen een gezelschap dames in zwarte pakken en heren met bergstokken aan; onder anderen ontmoette ik de schrijver O, die me aan een prelaat deed denken en de stewardess D, die futuristische grafiek maakt en die beloofd heeft voor mij een vlucht in een F-16 te zullen verzorgen.

          De vorstelijke maaltijd inspireerde Julia — die toch heel wat gewend is uit de tijd dat ze met Totteren restaurants keurde — tot soms wat dweperige reisverhalen, waarmee ze de anderen wist op te zwepen zodat de een na de ander verslag deed van steeds opwindender avonturen. Het was weer het oude liedje, iedereen blijkt van reizen te houden, maar niemand doet het.

          In zulke situaties doe ik soms alsof ik niet van reizen houd, tot verontwaardiging van Julia: `Als jij niet van reizen houdt, praat ik niet meer met je.' Dat meende ze natuurlijk niet. De stewardess D, die dacht dat er iets mis ging, probeerde het gesprek te brengen op de voordelen van grote, oude auto's, en toen dat niets opleverde, op de kern van het probleem: de scheiding der geesten als gevolg van smaakverschillen ten aanzien van reizen, boeken, films, en vooral muziek. `Als jij niet van Bob Dylan houdt, praat ik niet meer met jou,' dat soort conflicten, dat zich haast nooit voordoet als het om beeldende kunst gaat — zoals P opmerkte. Het tafelgesprek werd geregeld onderbroken door dronken en culturele manifestaties. De prelaat las een encycliek voor en het laatste hoofdstuk uit zijn boek, waar een kerk in voorkwam met boven het portaal een Latijnse spreuk die alleen bij een bepaalde lichtval zichtbaar was. Hoe luidde die spreuk ook alweer? Ultima latet? Het laatste uur is verborgen, het einde is in raadselen gehuld. Het sloeg in ieder geval zowel op de kerk als op de afloop van het boek.

          O reikte daarna een soort pauselijke bullen uit, gevat in een kartonnen koker met de ook al raadselachtige letters ORG.

          Daarna las de dichteres R voor uit eigen werk. Over wat de dichter zoal dicht, lekke daken bij voorbeeld. G, de dichter in kwestie, gaf te kennen dat het dichten van lekke daken hem slecht afging. Waarop iedereen doordrongen raakte van een simpele volkswijsheid, de waarheid dat praatjes geen gaatjes vullen. Een teken dat de voortreffelijke wijn niet vergeefs geschonken werd.

          Daarna zagen we schitterende kleurenfilms van de beeldende kunstenaars H en P, gevolgd door een band met demonische klanken die de bezeten musicus V de vorige dag elders teweeg had gebracht. Aandachtig luisterend en tot Julia's ergernis ongecontroleerd drinkend bekeek ik een ets van P, voorstellende de voorste helft van een ouderwetse auto — Ford Zephyr, zei D — en twee mensen, leunend tegen een balustrade. Het beeld kwam me vertrouwd voor, waar had ik het eerder gezien?

          De ets had nog geen naam, hoorde ik van P, maar hij hield zich aanbevolen. Ik herinnerde me een foto van mijn eerste buitenlandse reis, samen met mijn zus, neef en nicht op weg naar Italië uitgestapt op de Grossglockner Hochalpenstrasse, waar de auto werd voorzien van het teken dat een paar jaar later even algemeen op de achterruiten van de auto's voorkwam als nu Deel III op de voorruit: een Alp gevat in een oranje O.

          Voor de weergave van de volgorde waarin de dingen daarna gebeurden, kan ik niet meer instaan. Ik herinner me dat er onenigheid ontstond over de muziek, omdat sommigen wilden dansen en anderen naar de klanken van V wilden luisteren. Het conflict werd als gevolg van de drank onnodig hoog opgeblazen, de band werd door een plaat vervangen en alles werd uitvoerig uitgepraat totdat iemand om andere gesprekstof vroeg.

          Op een gegeven ogenblik stond iedereen tegenover de ets die nu Grossglockner heette. In een poging om een discussie uit te lokken over iets anders dan de ten gehore gebrachte muziek vroeg ik wie zich nog de stickers met de oranje G kon herinneren. Niemand. Iemand — was het V of G ? — zei zelfs op enigszins agressieve toon dat hij nooit van de Grossglockner had gehoord. Uit de toon waarop hij het zei leidde ik af dat de Grossglockner volgens hem niet bestond. Hoog tijd voor een discussie over het bestaan van wat ik me zo duidelijk meende te herinneren maar waaraan ik nu zelf begon te twijfelen.

          O haalde zijn bergstok te voorschijn om te zien of er soms een plaaije van de beroemde gletsjer op voorkwam, maar de stok was nooit verder geweest dan het Geuldal. Die van G had nog in de Grot van Han geprikt, maar daar hield het wel op; maar waarom las ik op de kartonnen koker met de bul dan de drie beginletters van het woord Grossglockner, in omgekeerde volgorde?

          P ging op zoek naar een atlas, en G wilde pastoor Raadschelders van het dag en nacht bereikbare Omroeppastoraat om uitkomst bellen, maar ik wist hem te weerhouden; het ging immers niet om het antwoord op de vraag naar het bestaan van de Grossglockner, maar om de discussie.

          `Als de achterkant van die auto op die ets had gestaan, dan waren we een stuk verder,' zei Julia, die niet dronk en die zelfs als niemand gedronken heeft, opvalt door nuchterheid. `Dan hadden we kunnen zien of er zo'n sticker op zit.' De achterkant van die auto bestaat niet, dacht ik, maar ik hield mijn mond om de discussie zuiver te houden.

          Want weer dreigde er iets van onenigheid te ontstaan tussen degenen die wilden discussiëren en hen die wilden verifiëren. P tuurde vergeefs in zijn Bosatlas. O, die goed is in Latijnse uitdrukkingen, trachtte de zaak op te lossen met een pontificaal Esse est percipi: de Grossglockner bestaat niet meer als niemand er meer naar komt kijken. `Zijn is waargenomen worden,' vertaalde H voor V. `Zien is kennen,' zei G, die veel van vogels afweet.

          `Je moet er geweest zijn,' vond de dichteres R, en Julia stemde in. De vrouwen wilden dus op reis. `Als je hem ziet, bestaat hij,' zei O ter geruststelling. Iedereen leek nu op reis te willen, behalve ik, want ik had net mijn fototoestel uit de auto gepakt om de ets te fotograferen en toen had ik gezien dat het was gaan sneeuwen. Maar de energie om me te verzetten ontbrak.

          Even later zaten O, R, P en ik in mijn auto, met Julia aan het stuur. De anderen waren in de grote auto van de stewardess gaan zitten. Ze hadden startproblemen, we moesten lang op ze wachten.

          Toen we reden, viel ik al gauw in slaap. Dat merkte ik pas toen ik wakker werd doordat er druk werd uitgeoefend op mijn schouder. Ik zag dat ik alleen in de auto zat met Julia, die de stoelen in slaapstand duwde. `Zijn we er al?' vroeg ik, want in het schijnsel van de koplampen zag ik een witte berg. `Nee, we zijn ingesneeuwd,' zei Julia.

          Maar ze wist niet dat ik de laatste weken in de kofferbak een grote schep vervoer.   


 

De Raad

         

Het hoeft me niet altijd tegen te zitten, dat blijkt nu weer. Binnengelokt door de geur van gebakken champignons ben ik hier gaan zitten lunchen. Nauwelijks zit ik of de deuren zwaaien wijd open en vier rumoerige heren — twee koffertjes, twee tassen — dienen zich aan bij een toesnellende ober.

          `Tafel voor het gezelschap Mouthaan,' roept deze tegen de gesloten deur achter de bar. Het gezelschap Mouthaan, dat moet de Raad zijn.

          De deur achter de bar gaat met een ruk open en daar schiet de door een schild van brillantine beveiligde opperober toe om de heren van de Raad naar een tafel binnen gehoorafstand van de mijne te leiden. Zij kennen mij niet, ik ken hen evenmin; met een van hen (wie?) heb ik door de telefoon gesproken. De enige die me zal kunnen herkennen is de grote grijze Mouthaan, hun voorzitter.

          Voor hem ben ik al eens verschenen. Zolang hij er niet is, zal het zin hebben mijn oren te luisteren te leggen. Want mijn Project is opnieuw in behandeling genomen, in een wat gewijzigde opzet. Twee jaar geleden diende ik de eerste versie van mijn voorstel in. Niet lang daarna ben ik eenmaal verschenen voor de Raad die toen — op de oude, onvergankelijke Mouthaan na — uit andere heren bestond. Die heren leken me toen wel gunstig gestemd, maar uiteindelijk hebben ze toch in negatieve zin beslist.

          De Raad, bij wie zich nog een middelbare heer in een bruin pak heeft gevoegd, spreekt na het bestellen van de aperitieven over moestuinen, plavuizen en de Opel Ascona, maar ik voel dat het niet lang zal duren of ze zullen tot zaken komen. Ook merk ik dat ze voor Mouthaan een erep]aats vrij houden aan deze zijde van hun tafel, zodat de voorzitter straks met zijn rug naar mij toe zal zitten. Hopelijk zal hij mij niet zien bij het binnenkomen. Dan zullen ze vrijuit spreken over de projecten waarover ze voor het eind van de maand moeten beslissen.

          Het is overigens niet helemaal toevallig dat ik hier zit. Dit is in het middaguur een trefpunt van zakenlieden, hogere ambtenaren en stichtingsbesturen die iets te bespreken hebben. Vaak zijn hun besprekingen van strikt vertrouwelijke aard. Zo heb ik hier nog pas meegemaakt hoe een directeur van een grote plastic-zakken fabriek smakelijk zat te solliciteren bijeen directeur van een nog grotere wc-papierfabriek. Ik zit hier vrij geregeld, niet alleen om te eten maar vooral om op de hoogte te blijven van wat zich hier en daarop bestuurlijk niveau afspeelt, in de hoop de vergaarde informatie bij gepaste gelegenheid te gelde te maken.

         

`De haan is laat,' zegt de bruine man, na het ledigen van zijn aperitief. De haan noemen ze hem, als hij er zelf niet bij is tenminste. `Maar zouden we op hem wachten?' Daarna begint een sportief aandoende, net van de kapper komende heer op nogal zachte toon te spreken. Zouden ze nu al over mijn toekomst beginnen te beslissen? Ik vang de woorden `Televisie' en `Schiphol' op. Dat slaat op mijn Project. De vorige Raad had me nogal lang verhoord over de technische vraag ofeen cassetterecorder net zo kon klinken als een televisietoestel.

         

Ik moet nu wel, ter verduidelijking, een en ander over mijn Project vertellen. Maar tegelijk houd ik essentiële informatie achter want overal liggen kapers van ideeën en hun spionnen op de loer. Het gaat om het scheppen van een situatie waarin blinden — voor eigen bestwil — om de tuin worden geleid.

          In letterlijke zin hebben anderen daar al een begin mee gemaakt, door de aanleg van lange, labyrintische wandelpaden op zeer kleine stukjes grond — daar hebt u misschien al van gehoord. In mijn project gaat het om een ander soort misleiding. Zo zal een verpleegster met een blinde op vakantie gaan naar Spanje, maar het vliegtuig zal alleen de illusie wekken dat het de grond verlaat. En toch zal de vakantie tot in details verzorgd zijn en exotisch ruiken. De blinde zal ook meedoen aan een talentenjacht, in een tv-studio, maar wanneer hij denkt dat het programma wordt uitgezonden zal hij worden misleid door zijn eigen stem op een cassetterecorder. Op een dag zal de blinde merken dat hij bedrogen wordt, maar hij zal niet laten merken dat hij het heeft gemerkt, zodat de gelukkige situatie niet verstoord wordt.

          Toen ik het project moest komen toelichten, samen met de producent en de schrijver, wilde ik graag de Filosofie van het Wat-niet-weet-dat-niet-deert toelichten, en ik had een verhandeling geprepareerd over de Aard van de Werkelijkheid Voorzover die zich aan ons Kenbaar maakt. De heren van de Raad leken met het onderwerp geen probleem te hebben, ze vroegen alleen maar technische details die ons parten konden spelen bij het vastleggen op film. Want het project was, om het een schijn van permanentie te geven, ingediend als een soort filmproject.

          Die avond vierden we feest, want de producent, die enigszins op de hoogte is van de geheime gebaren taal die de Raad tijdens vergaderingen bezigt, had gezien hoe voorzitter Mouthaan zijn knokige rechterhand op zijn linkerduim had gelegd: het teken dat hij het plan goedkeurde. Het was bekend dat de leden van de Raad zelden besluiten namen die tegen zijn advies ingingen.

          Maar na een paar dagen kwam ik door een gerucht aan de weet dat er afwijzend beslist was. Hetgeen na een klein jaar schriftelijk werd bevestigd.

          De beslissingen van de Raad worden niet gemotiveerd. De rapporten met de overwegingen zijn geheim. Een vriendin die het met een van de leden van de Raad heeft aangelegd, wist me later te vertellen dat er twee redenen waren geweest om mijn project af te keuren.

          Ten eerste, het getuigde niet van goede smaak om grapjes te maken met blinden. Ten tweede, ik deugde niet.

          Maar nu de Raad op Mouthaan na geheel vernieuwd is, en nu ik in een toelichting duidelijk heb gemaakt dat met mijn blinde ziener helemaal niet te spotten valt, maakt het Project misschien toch nog kans en is er ook voor mij nog hoop op een toekomst. Deze maand nog zal de beslissing vallen, zo is de producent, via geheime kanalen, ter ore gekomen.

          Een dikkige man in een Oostduits aandoend pak valt de heer met de zachte stem in de rede: `Als de andere heren er net zo over denken als u — en ik trouwens — dan kunnen we straks tegen de haan zeggen zo en zo.'

          `Ja, ik vind dat met name op grond van deze nieuwe gegevens... ik moet toegeven dat ik er eerst best wel moeite mee heb gehad... maar...'

          Hoera, hier valt wat te vieren. `Ober, nog een karafje droge witte.'

         

Samen met de ober en de wijn arriveerde een op een automaat gelijkende jonge manager, met over de linkerarm een lichte regenjas en in de rechterhand een samsonite koffertje. Hij werd door het gezelschap luidruchtig begroet en ging zitten op de ereplaats.


 

Wonderland

         

Omdat ik vanmorgen zittend achter het venster lange tijd werd aangestaard door een van de ransuilen die zich hebben gevestigd te midden van mijn nog jonge olmen, moest ik denken aan het vreedzame strijdlied waarin een dergelijke vogel lange tijd te midden van dergelijke bomen vertoeft. En omdat ik vanmiddag in Bussum moest zijn, besloot ik iets eerder te vertrekken dan voor mijn afspraak noodzakelijk was, en te zien of de villa `De Olmen' nog bestond. Want de laatste keer dat ik er langs kwam, had ik gezien dat men een begin maakte met het rooien van de grote tuin.

          `De Olmen,' het is een van de huizen waar ik woon als ik droom. Het ligt aan de drukke Brinklaan, maar zo ver van de weg dat ik nooit een glimp van bewoners heb opgevangen. Ook vroeger niet, toen ik er dagelijks te voet langs kwam op weg van huis naar school. Zelfs heb ik er nooit een auto, kinderfiets of tuinstoel waargenomen. Ook kende ik niemand die wist wat voor mensen er woonden. Wel sprak men er schande van dat de gevel, die eens wit moet zijn geweest, nooit werd opgeschilderd en al grijzer en grijzer werd; en dat de grote tuin iets van een wildernis had. Mij beviel dat allemaal wel, het huis werd er alleen maar geheimzinniger door. Ik hoopte er spoken te zien of uilen te horen. Toen die niet kwamen opdagen, concludeerde ik dat uilen en spoken niet bestonden.

          Voordat ik `De Olmen' bereikte, zag ik hoe de omgeving al gedeeltelijk gesloopt was. Op een blootgelegde badkamerwand las ik, boven een hakenkruis, het woord VERRÄTER. De vertrouwde ijzerwinkel was toe aan een Opheffingsuitverkoop.

          Bij `De Olmen' viel de schade mee. Aan de zijkant was een klein gedeelte van de uitgestrekte tuin vervangen door een zo te zien overbodig parkeerterrein: vrijdagmiddag, en toch niet meer dan twee auto's.

          Vanaf de parkeerplaats zag ik voor het eerst de zijkant van de villa. Ik maakte een foto; ik maakte ook een foto van het winkeltje ernaast, waaraan ik dierbare herinneringen heb uit de tijd dat de vulpendokter er gevestigd was. Nu heette het KUNSTNIJVERHEID WONDERLAND. Ik nam er houten en aardewerken poppetjes waar.

          Daarna fotografeerde ik de voorzijde van `De Olmen', en het zwarte hek waarvan op een dag in 1947 een heel klein stukje wit is geschilderd — ik herinner me nog de man die met de verfkwast iets deed waarvan toen de zin me ontging. Nog steeds is dat hek zwart, nog steeds zijn die drie spijltjes wit van boven.

          De voorzijde van de vaalwitte villa was ongeschonden: niet witter en niet valer dan toen. Het moet opzet zijn van de geheimzinnige bewoners. Ook de schijnbare wildernis moest — dat weet ik nu — het resultaat zijn van berekening en zorgvuldig snoeiwerk. Terwijl ik foto's maakte, passeerden twee oude dames, die smalend zeiden: `Bussum op zijn mooist.' Inderdaad Bussum op zijn mooist. Maar zonder ironie, wat mij aangaat. Nog steeds het huis zoals ik het in mijn dromen bewoon.

          Even overwoog ik of ik het hek binnen zou gaan, en langs de kromme oprijlaan naar het huis zou lopen — maar wat had ik te vragen? Het huis was er te ongenaakbaar voor, en misschien zou ik mijn droom wel verstoren. Terug dus maar, langs het Kunstnijverheid Wonderland, waar de deur met een ruk geopend werd. In de deuropening een man die met opgewonden stem riep: `U hebt mij gefotografeerd! Waarom?'

          Niet zo eenvoudig uit te leggen. Ik deed een poging, zei dat ik niet hem had gefotografeerd, maar zijn winkel. (Ik heb het filmpje nog niet ontwikkeld. Zou hij door een venster te zien zijn?) Ik mompelde wat over jeugdherinneringen en bedacht dat ik van hem misschien iets aan de weet kon komen over zijn buren, en over de vulpendokter. Maar uit zijn heftige reacties begreep ik dat ik iets geheims had gefotografeerd, en toen hij met een hockey-accent begon te vragen `Wie bent u eigenlijk?' verging me de lust tot verdere conversatie.

         

Toch wil ik mijn verhaal wel kwijt. Ik fotografeer, zoals een ander notities maakt op een blocnote; om herinneringen en dromen te verifiëren. Daarom heb ik `De Olmen' gefotografeerd, daarom heb ik een foto gemaakt van het pandje Wonderland. Om wat zichtbare aanknopingspunten te hebben; om me de Vulpendokter beter voor de geest te kunnen halen.

          `Een jongen van Greidanus' noemden mijn ouders hem. Voor de oorlog was hij te voet naar Indië getrokken, met een vriend. Na de oorlog had hij zich gevestigd in het winkeltje naast `De Olmen'. Alles werd opgeschilderd en vertimmerd. In de zeer kleine etalage werd over een oneffenheid een prachtige lap fluweel gespreid, en daarop kwam een standaard met één Parker vulpen. Verder bleef de etalage leeg. Wat een beheersing vergeleken bij mijn vader die zijn etalages `de kasten' noemde en ze zo volstouwde dat een magazijn overbodig leek. DE VULPENDOKTER stond er op het bord dat aan de gevel werd bevestigd. Eenmaal heb ik, huiverend van eerbied, in dat winkeltje het rubberen buisje van mijn schoolvulpen laten vervangen.

          Tot voor kort was er aan de opstelling weinig veranderd. Wel was het fluweel verschoten, het gevelbord in verval geraakt. Iets van de noblesse van `De Olmen' was overgeslagen op het pandje van de vulpendokter.

          Dat was het verhaal dat ik niet vertelde aan de man van Wonderland. Wel heb ik het eens verteld aan een meisje dat Greidanus heette. Haar oom was voor de oorlog te voet naar Indië getrokken, zei ze. Hij was daar in een kamp omgekomen.


 

De voerman

 

Geen menselijk onderdeel gaat langer mee dan zeven jaar, heb ik ergens gelezen. Dat geldt ook voor het geheugen, lijkt me. Wat me na zeven jaar nog aan het verleden bindt, is hoogstens de herinnering aan een herinnering. Maar als ik de mensen en de dingen zelf na lange tijd terugzie, zijn ze nieuw voor me en moet ik ze opnieuw leren kennen.

          Het houdt me bezig sinds ik vader ben. Vijf is ze, mijn dochter, en zelfbewust. Aandachtig neemt ze haar omgeving in zich op. Ze vormt zich uit de gegevens die haar ter beschikking staan een duidelijk beeld van het leven en de wereld. Maar wat zal ze zich over tien jaar herinneren van de dingen die nu haar intense belangstelling hebben? Wat zal ze zich herinneren, bijvoorbeeld, van haar kleuterschool?

          Wat herinner ik me van mijn kleuterschool? Van mijn eerste zes jaren? Niets. Dat heb ik gisteren pijnlijk beseft, toen ik opnieuw de plaats moest bezoeken waar ik ben geboren en tot mijn achttiende getogen. Bijna niets komt me daar nog vertrouwd voor. Is het wel ooit vertrouwd geweest?

          Van mijn kleuterschool weet ik natuurlijk niets meer rechtstreeks. Wat ik ooit eens heb gefixeerd en op gezette tijden opgerakeld, is niet meer dan een verhaal. Het had even goed door een vreemde aan mij verteld kunnen zijn. Het verhaal van de voerman, zo zal ik het maar noemen.

         

De tafeltjes en stoeltjes stonden opgesteld in drie rijen. Links de jongetjes, rechts de meisjes. In de middelste rij zaten de meisjes vooraan, de jongetjes achter, maar als gevolg van de oneven aantallen van beide kwam ik naast een meisje te zitten. Voerman heette ze, haar voornaam herinner ik me niet. Het woord voerman bleef voor mij lange tijd iets opwindends inhouden. Een karretje langs de zandweg reed. De maan scheen helder, de weg was breed. De voerman lei te ruste...

          Want datgene wat de strenge scheiding bij de anderen wist te verhinderen, gebeurde bij ons. Iets vies. Wat het was, weet ik niet meer.

          Naar oud gebruik kreeg de man de schuld. Ik moest op de gang staan, die juist geschrobd werd door een werkzuster. Ik dacht dat ze al die emmers water uitstortte om mij onder water te zetten. Dat ze zou doorgaan tot het water hoger dan de deurknop zou komen; hoger dan mijn hoofd.

          Vijf was ik, en een beetje kippig. Is dat de enige verklaring voor het feit dat ik niets, maar dan ook helemaal niets vertrouwds heb gezien, nu ik voor het eerst na veertig jaren tegenover de `bewaarschool' van toen heb gestaan? Of is het gebouwtje door een ander vervangen? Het kan uit '38 dateren, maar ook uit '42. Er is niemand die het me kan zeggen.

          De lagere school, die moet ik me beter herinneren. Toen ik in de tweede klas zat, kreeg ik een brilletje; ik kan het nagaan aan de hand van schoolfoto's. Daarna is alles een stuk lelijker geworden, en een stuk onvriendelijker. Brillejood! Het was 1942. Ik wist wat joden waren. Mensen waar ik als christenjongetje elk jaar een kerstcadeautje mocht komen halen. Tot ze verdwenen nadat ze bij ons op zolder een deel van hun inboedel hadden opgeslagen. Ik herinner me alleen de peddel van een kano; de rest zat in dozen met touw eromheen.

          Met moeite vond ik de weg naar mijn school, of liever, een van mijn scholen, want al gauw hadden de Duitsers hem nodig en verhuisden we naar de meisjesschool, daarna naar de schoftenschool (waar alleen vieze kinderen zaten) en ten slotte naar de huiskamers van klasgenoten. Ik herken het gebouw van de schoolfoto; de omgeving zegt me niets. Er tegenover ligt een modern lyceum — wat was daar vroeger?

          Op de terugweg toch nog de schok van een herinnering. Het hol van de klavierleeuw. Het villaatje waar ik pianoles kreeg van Herr Henschel. Een evenbeeld van Beethoven zelf, met hoed en stok; een man voor wie de kinderen op straat hard wegliepen. Vroeger, in Duitsland, was hij een gevierd solist geweest, zei men. Boeken vol brieven van koningen en keizers had hij.

          Sidderend ging ik daar achter de imposante vleugel zitten. `Pak de zaakjes maar uit, Ventchen.' Als ik mijn boeken met niets dan vingeroefeningen had neergezet, nam hij links van mij plaats in een armstoel. Bij elke fout sloeg hij met een rottinkje op mijn linkerhand. Met dat pianospelen is het nooit iets geworden.

          Toen ik na een jaar van les afmocht, heb ik zeven jaar lang de piano niet meer aangeraakt. Maar toen ik de draad weer opvatte, heeft niemand kans gezien, mijn linkerhand tot ontspanning te brengen.

          Het tuinhekje. Ik was klaar, ik mocht weg. Mijn fiets stond op slot, tegen het hekje. Ik kon het slot niet los krijgen. Herr Henschel kwam naar buiten om me te helpen. ik rende weg.

         

Nog steeds achtervolgt hij mij. Soms zie ik zijn naam in spiegelschrift, op de voorkant van een vrachtauto die te weinig afstand houdt. Gerhart Hauptmann, denk ik dan. Fuhrmann Henschel. Dat stuk zal ik toch eens moeten lezen.


 

In het hol van de leeuw

         

Eerst leek het alsof het museum van Dadizele voor vreemdelingen niet toegankelijk was. Terwijl ik keer op keer vruchteloze pogingen in het werk stelde om het te bezichtigen, nam de geheimzinnigheid toe.

          Het begon in Schagen, voor Restaurant De Somme. Waar een blik op de prijslijst me van binnentreden deed afzien. Waar mijn vriend Totteren nu al twee keer op kosten van een onzer plaatselijke bladen kostelijk heeft gedineerd blijkens twee geestdriftige afleveringen van de culinaire rubriek die hij onder pseudoniem schrijft.

          Ligt Schagen, evenals Saint-Quentin, Peronne, Amiens en Abbeville aan de Somme? Nee, Schagen ligt aan het Kanaal van De Stolpen naar Kolhorn. Maar te Schagen bevindt zich, zo vernam ik terwijl ik de spijskaart van `De Somme' bestudeerde, in een toren het enige echte museum dat herinnert aan de Slag van de Somme, in 1916.

          Waarom in Schagen? Omdat meneer Lecocq, de oprichter, van Noord-Frankrijk is verhuisd naar Schagen. Vandaaruit heeft hij talloze tochten ondernomen naar de omstreken van het treurige stadje Albert, om er in de bodem te graven naar wat herinnert aan de vijandelijkheden uit de Eerste Wereldoorlog. Zijn verzameling groeide uit tot een museum vol herinneringen: wapens, munitie, gebruiksvoorwerpen, vaandels, insignes, foto's, frontlijnkunstnijverheid, maquettes die getuigen van mateloos geweld, en van het eindeloze geduld van de maker. Halverwege de trap een realistische nabootsing van een stuk loopgraaf, `Niet geschikt voor jonge kinderen', want compleet met gesneuvelde soldaat en azende rat. En meer gruwelen, die ik aan uw verbeelding of nieuwsgierigheid overlaat.

         

Uit een voor mijzelf niet geheel verklaarbare gedrevenheid word ik nu van de ene oorlogsherinnering naar de andere gedreven. Van P., die weliswaar mijn buurman is maar die toch min of meer in België woont, want hij luistert uitsluitend naar BRT-1, hoorde ik van het Oorlogsmuseum van Dadizele, ergens tussen leper en Roeselare; in het hart van het Vlaamse land dus. Hij was er langs gekomen, had door de etalageruit naar binnen gekeken en vergeefs getracht toegang te krijgen.

          Zo verging het mij ook enkele malen. De eerste keer hoorde ik dat het museum alleen 's ochtends open was. Het was middag. Ook ik keek verlangend door de met helmen en wapens beschilderde ruiten; met een mengeling van nieuwsgierigheid en vrees, want er is iets waardoor ik in België altijd op mijn hoede ben, vooral in een omgeving waar oorlogen worden herdacht. Ik ben een keer, in gezelschap van Belgische vrienden, te Antwerpen in het café De Leeuw van Vlaanderen geweest. Doe geen mond open, zo waarschuwde men mij, want als ze merken dat je een Hollander bent word je eruit geslagen. Zwijgend zag ik toe hoe stramme vijftigers in leren jeks aan de bar bier dronken en luisterden naar de jukebox met Duitse soldatenliederen op 78 toeren. Aan de wanden hingen rugzakjes van Vlaaruse SS-ers en foto's van het Oostfront. Toen iemand mij aansprak, heb ik uit lijfsbehoud mijn beste koeterwaals gesproken.

          Hoewel ik het mijzelf niet wilde toegeven, toch overviel me dezelfde vrees hij het verlaten van Dadizele, als die keer dat ik werd aangehouden door twee rijkswachters die het verdacht vonden dat een Hollander zich terzijde van de snelweg bevond.

          Bij een tweede poging arriveerde ik te laat in de ochtend. Een paar maanden later bezocht ik opnieuw het Sommemuseum te Schagen, met de bedoeling een paar gegevens te noteren. Ik vroeg meneer Lecocq of hij het museum van Dadizele kende. Zeker. Hij ging er geregeld heen, liefst op de eerste zondag van de maand, want dan vond er een ruilbeurs plaats. Of ik de groeten wilde doen aan meneer De Bruyne.

          De eerstvolgende eerste zondag arriveerde ik tegen elf uur. De beurs was al voorbij en ook het museum was dicht. Wel zag ik nog hoe jongemannen in leren jeks oude volkswagens volstouwden met grote boeken voorzien van adelaars en hakenkruisen.

          Maar vandaag is het dan toch gelukt. Gisteren nam ik, met Julia, mijn intrek in een hotel te Albert — slapen in België durf ik nog niet aan. Misschien ontmoet ik meneer Lecocq wel toevallig, moet ik gedacht hebben, want onbewust arrangeer ik vaak toevallige ontmoetingen — maar nee. Vanochtend in alle vroegte vertrokken, zonder ook maar een koffiehuis geopend aan te treffen. Op een sigarettenaffiche gelezen: St. Michel. Niet voor broekventen. Wat betekent dat? Ik rook niet, maar de nieuwsgierigheid zal me er nog toe brengen.

          Om negen uur ter plaatse — in eerste instantie alleen naar brood en koffie verlangend. Daardoor misschien, en meer nog door de aanwezigheid van Julia, voelde ik me veel minder met wantrouwen bejegend. Geruime tijd schonken we slechts zijdelings aandacht aan de uitgestalde geweren, helmen, boeken, steekwapens, petten, pistolen, uniformen, distinctieven. Wel merkten we al snel dat we ons tussen twee kampen bevonden. Links van ons een tafeltje met artikelen van de geallieerde legers, rechts lange tafels waarachter handelaars in souvenirs aan de Duitsers. Dicht bij me was, achter een bos geweren die deed denken aan een monsterlijk boeket, een man bezig pistolen op te diepen uit een tas met stickers van de Aktie Dierproeven Halt. Een echtpaar keek verlangend toe. Hun zoontje, gekleed in een omgebouwd Duits camouflagejasje, betastte een bajonet. De handelaar nam een St. Michel. Op het pakje een ridder die met zijn lans een draak doorstak. Niet voor broekventen. Ik begin het te begrijpen, geloof ik.

          Julia merkt op dat de oudste van de twee vrouwen achter de tap zo'n mooi, vrolijk, vriendelijk gezicht heeft. Ik merk op dat de jongste ook al zo'n mooi, vrolijk, vriendelijk gezicht heeft. Moeder en dochter, het kan niet missen. Mijn angst begint te verdwijnen. Hier worden zaken gedaan door het soort mannen dat je op postzegelmarkten ziet. Een pistool doet ongeveer 1500 franken, honderd gulden dus, een mooie helm ook, een lange bajonet ook al, een gaaf SS-uniform iets meer. Ik probeer iets op te vangen van de gesprekken om ons heen. Over de oorlog, dat is het enige wat ik ervan begrijp; want hier wordt nog echt Vlaams gesproken, en bovendien is het erg druk. Eerst maar eens in het museum — een deur verder — gaan kijken.

          Gangen met vitrines vol voorwerpen die getuigen van een ondoorgrondelijke doodscultus. Mutsjes met doodskoppen; zwarte uniformen met geraamteachtige uitmonstering; door roest en ander bederf aangetaste voorwerpen van ijzer, leer en stof. Achterin twee stijlkamers van een lugubere huiselijkheid: een café uit 1941 en een huiskamer uit 1943, voorzien van etalagepoppen in de civiele en de militaire dracht van toen. In de huiskamer een man met grote winterias en hoed tegenover een vrouw en een Duitse officier. Wat gebeurt hier? Verraad? Betrapt hij zijn vrouw op heulen met de vijand? Wordt er een huiszoeking ingezet?

          Terug naar het café, waar ook een voetbal- en een motorclub zijn gevestigd. Achterin, bij een wapenhandelaar uit Antwerpen, hangt een foto van een bruiloft in motorclubverband. Een witgesluierde bruid omgeven door twaalf in zwart leder geklede motorrijders, wijdbeens poserend op hun kawasaki's. Zwart en wit. Dood en leven. Man en vrouw.

          Nee, zo eenvoudig ligt het niet. Een woestmooie roodharige meid, in niets dan nappa (zover het oog reikt) stort zich in het gewoel, gevolgd door een jongen die even beschaafd aandoet als de Koning der Belgen.

          Op de tafel bij de man met de geweren ligt een pak stencils. Behoedzaam pak ik er een. Reglement van de Spearhead Ruilcub/Verzamelaars van militaria. Omdat hier alleen geruild mag worden, mag men `Geen prijzen opzetten, maar wel ruilwaarde'. Wat is het verschil? `Uw lidkaart is niet voor op straat.' Wat betekent dat? `Het is streng verboden nieuw tuig te ruilen of ter toon te stellen.' Net heb ik een jongen gezien die aan De Bruyne een lapje met een erop genaaid hakenkruis aanbood; het zag er nogal nieuw uit; De Bruyne had geen interesse, de jongen droop beschaamd af. Het deed me denken aan de zaklantaarn Pile Wonder die ik zag in het museum te Schagen. Gevonden in een loopgraaf in het Somme-gebied, en roestig, maar van precies hetzelfde model als de zaklamp die ik vorig jaar in Amiens in de supermarkt heb gekocht.

          `Tombola om 11.15 voor de aanwezige leden; iedere 1ste zondagmiddag Uw nummer vragen voor 11.15 uur. Prijzen persoonlijk afhalen.' Het is al half twaalf. Waar heeft die tombola plaatsgevonden? Wat voor tombola? Wat viel er te winnen?

          Aan wie kan ik dat vragen? Nog steeds is het druk. Ik spreek een man aan, maar zijn antwoord versta ik niet. Wat bezielt deze verzamelaars? Ik blijf met mijn vragen zitten. Het taalprobleem is onoverkomelijk. Nog weet ik niet of het hier gevaarlijk is. Steels neem ik een foto, bij het weggaan.

         

Bij de grens nog even gas getankt, want in Frankrijk is dat niet te koop. Zelftank. Bij het ontkoppelen van de slang ontsnapt een reusachtige gaswolk. Ik meld het aan de dame bij de kassa. `De pèèpstelling', zegt ze, of iets in die trant. Ik geef te kennen dat ik haar niet begrijp. `De tuyau is te lang,' zegt ze nu, doelend op de lengte van de koperen pijp tussen het ventiel van mijn tank en de afsluiter van de slang. Er wordt binnenkort iets aan gedaan.

          Zo ontstaat er toch nog, vlak bij de taalgrens, iets van een conversatie. 


 

De wijde wereld

                  

'Waar doole ik ? — wat schrijf ik ? — alles is verwarring...

Rhijnvis Feith, Julia.

         

Vanmorgen, onderweg naar school, begon ze al. `Als we hier nu rechtdoor gaan, waar komen we dan?'

          `Alkmaar,' zei ik, maar daarmee was ik er niet van af.

          `En dan, als we dan nóg verder gaan?' Ik moest alles opnoemen, steden, landen, werelddelen. `Engeland, Duitsland, Friesland, Frankrijk,' vulde ze geduldig aan. Bij het noemen van Frankrijk had de neerslachtigheid zich weer van mij meester gemaakt. Want ik treur om Julia, die zich nu weer afgeeft met Totteren. Niets om over te schrijven, er is trouwens al het een en ander op papier gezet over teloor gegane Julia's. `Feith, Rhijnvis (1752-1824), Ned. dichter; in 1778 burgemeester v. Zwolle; daarna ontvanger der convooien en licenten; laatste deel v. leven ambteloos op buitengoed ``Boschwijk'' bij Zwolle; werk gekenmerkt door sentimentaliteit en somber doodsverlangen, zwaarmoedigheid alleen verlicht door Chr. geloof.' Gelukkig getrouwd overigens.

          `Duizend landen?' vroeg Floortje. `Duizend steden.' Ze probeerde tot duizend te tellen, maar ze kwam niet verder dan zeventien achttien negen tien elf twaalf enz. ad inf. We waren al bij haar school toen ze me nog even vroeg hoe hoog de lucht was en of je een ladder kon maken tot de lucht, `met hele sterke lijm — die moet je in een fabriek maken of zo'.

          `Waar moet je die ladder dan tegenaan zetten?' vroeg ik. Tegen een boom natuurlijk. `Met een touw heel stevig vastbinden, met een hele dikke knoop.' Haar techniek staat voor niets. `Maar er is toch geen boom tot de lucht.' (Wat ze precies onder `tot de lucht' verstaat kan ik niet uitleggen, toch meen ik het aan te voelen.)

          `Ja, maar die ladder kan toch boven die boom uitsteken.'

          `Een ladder tot de lucht is zo zwaar dat die boom omvalt.'

          `Dan zet je gewoon een dikke stok tegen die boom', zei ze, terwijl ze uit de auto stapte. `Een ijzeren stok. Dat doe je dan met een hijskraan als je een hijskraan hebt.'

          Vanavond is het feest, bedenk ik terwijl ik terugrijd. Het moet maar. Ze zullen me er niet onder krijgen, Julia en die Totteren van haar. Flora krijgt een nieuwe jurk — heeft ze trouwens toch nodig — en we gaan een pizza eten in de nabijgelegen stad. Schagen dus. Nog even gedacht over Bistro De Somme — wat kan het schelen, je leeft maar één keer — maar toen Floor vroeg of daar ook, net als in de pizzeria, kleine meisjes zijn waarmee je van een trap af kan springen of zo, hebben we daar maar van afgezien. Temeer toen ik moest bekennen dat ik ook niet wist of er, net als in Frankrijk, meneren rondliepen die net deden of ze kleine meisjes wilden pakken. Nee, eigenlijk voelde ik de hele tijd al meer voor die naar oud Italiaans recept gestucte ruimte, met uitzicht op in hoofdzaak blauwe affiches.

          Terwijl Floortje in de auto, voor de pizzeria, de feestjurk aantrekt die ze heeft uitgezocht — veel bloemetjes en het opschrift Mon Amour — realiseer ik me dat de pizzeria Amore Mio heet. Maar dat is het ergste niet. De winkeljuffrouw heeft haar sterk overschat en ons een jurk verkocht die haar van de schouders glijdt. `Het T-shirtje moet u even wegdenken,' zei ze bij het passen. Maar nu ze, zonder dat T-shirtje, haar best doet om er zo mooi mogelijk uit te zien, valt dat T-shirtje juist helemaal niet weg te denken. Het kan echt niet. Gelukkig weet ik haar ervan te overtuigen dat we beter nog snel voor sluitingstijd Mon Amour kunnen omruilen voor de oranjeroze jurk die ze ook zo mooi vond.

          Ook heel prachtig vindt ze het interieur van Amore Mio, met de fonteintjes die uit de sterk gestructureerde wanden groeien.

          En dan komt er iemand naar ons toe die ik hier niet verwacht had. Nee, niet Totteren — bederf onze feestvreugde nu niet. Het is een kleine, stevige Italiaan, hij speelt hier voor ober. In Schagen heb ik hem nooit eerder gezien, maar ik ken hem al jaren.

          Waar ken ik hem toch van?

          Voorzichtig vragen. Amsterdam? Bar Milano? Natuurlijk. Maar hij werkte daar niet...

          Plotseling herinner ik het me. 1960 of daaromtrent. De Italiaanse walletjesfilm La donna in vetrina, waarbij Utrechtse Appie de regisseur Luciano Emmer nog in de gracht heeft gesmeten. Niet een van de beroerdste films die in ons land zijn opgenomen. Over Italiaanse mijnwerkers uit de Borinage, met verlof in donker Amsterdam. Lino Ventura en Bernard Fresson als gastarbeiders. Marina Vlady en Magali Noël als Amsterdamse hoeren. Een menigte figuranten, via een toeter toegesproken door een kleine druktemaker die later een van onze grootste filmers is geworden.

          De film is hier nooit vertoond. Verboden door de censuur. Wat onze ober er deed? Lampen sjouwen, statieven verplaatsen en andere diensten. Wat ik daar deed? Kladjes uittypen met de dialogen — voorzover die afweken van het script, en dat deden ze altijd — achterin het peeskamertje van de altijd uitbundig vrolijke Magali Noël, die me hielp met het ontcijferen van de teksten als ze niet in de etalage hoefde. Ze sprak vloeiend Italiaans. Had iets met Italië, met Italiaanse mannen. Ik had, in die tijd, iets met Italiaanse vrouwen. Er was iets met een kapster. In haar gezelschap bezocht ik de spaghettizaal Isola Bella, waar regisseur en producent ruzie kregen om een Franse cali girl die sterk aan Magali Noël deed denken.

          Toen de voor deze film in het leven geroepen produktiemaatschappij failliet ging, vertrokken ze allemaal in allerijl en zonder te betalen. Ik wou de gloednieuwe schrijfmachine nog terugbrengen, maar kwam te laat. Hij doet het nog redelijk, zoals u wel hebt gemerkt. Oostduits. De aanslag is wat zwaar.

          `Waarom typ jij toch alles?' vroeg Floortje vorige week. `Dan kunnen andere mensen het ook lezen,' zei ik. `Ik schrijf zo onduidelijk.'

          Behalve die schrijfmachine bleef ook de kleine potige statievensjouwer in Nederland achter. Ik zag hem geregeld in de espressobar — totdat ik daar niet meer kwam omdat ik emigreerde naar de omgeving van Schagen.

          `Hoe kom jij hier nou terecht?' vroeg ik hem, nadat ik had gadegeslagen hoe hij geheel op eigen kracht in de kop van Noord-Holland een Italiaanse sfeer wist te scheppen, door bestellingen overdreven luid door te geven, alsof hij een rumoerige menigte moest overstemmen; door buiten voor de deur `Pizza! Pizza!' te roepen omdat binnen van een rumoerige menigte nog lang geen sprake was, en door toebereide spijzen even onder de neus van verblufte gasten te houden die iets goedkopers besteld hadden. Zijn antwoord was Italiaans: algemeen, filosofisch, leven en dood behelzend. Iets in de geest van `in het leven moet de mens van alles een keer hebben geproefd', maar dan veel diepzinniger. Hij deed dus alles. Had ook nog bij Een brug te ver geassisteerd.

          Floortje vraagt waar de muziek over gaat. `Over Ik vind jou lief en zo,' zeg ik. Amore Mio Mon Amour. `Waarom niet over eten?' `Ken jij liedjes over eten?' Hele grote bloem kole, dat is het enige wat haar te binnen wil schieten. Zuurkool met vette jus, dat is het enige waar ik aan denk.

          Floor heeft 1/8 van haar pizza op. Ruim voldoende. Ze gaat nu spelen met Marianna, het kleine blonde meisje dat haar al heeft geroepen: `Fiora!' Zonder een woord te wisselen springen ze om beurten van het trapje dat het restaurant van de ovens scheidt. Ze zijn gelukkig. Ik niet. Hoe kan dat?

          Nadat we het feest hebben besloten met koffie en ijs laat Flora zich bij de deur zoenen door de moeder, de oma en de tante van Marianna, want Italianen zijn lieve mensen, dat staat voor haar vast sedert de tijd dat we mortadella en pecorino kochten en vruchtensap cadeau kregen in een Italiaanse supermarkt te Amsterdam — waaraan een eind kwam toen die supermarkt door een bom werd verwoest.

          Onderweg zeg ik, op het moment dat ik moet aangeven dat ik de afslag naar links — huiswaarts — ga nemen:

          `Zullen we rechtdoor gaan, de wijde wereld in?' Het is gezegd voordat ik besef dat ze dat aanbod natuurlijk ernstig zal nemen. Wat ken ik haar toch slecht.

          `Ja, de wijde wereld in. Waarom ga je dan niet rechtdoor?'

          Rechtdoor, Alkmaar, Utrecht, Breda, Rijsel, Julia... Nee, Rijsel, Parijs, Lyon, Turijn, Milaan, Roma. Amore Mio. Ik stop in de berm, om met haar te overleggen. `Ik dacht er niet aan dat je voor morgen had afgesproken met Jenny. En ik moet nog allerlei werk afmaken.'

          `Dat kun je toch onderweg doen. En Jenny kunnen we opbellen.'

          `Maar zondag zou je naar oma gaan. Dat wil je toch?'

          Zelf begin ik te voelen dat ik met vuur speel. De gedachte aan De Wijde Wereld houdt me al een tijd bezig. Het was niet zomaar dat ik het eruitflapte.

          Ik heb een huis, een mooi huis vind ik zelf. Wat doen we daar? Wonen. Boschwijk. Sentimentaliteit. Julia. Onzin. Je tuin verdedigen tegen mannetjes die de bloemen willen wegmaaien. Nachtmerries van buren met motormaaiers, motorfrezen, motorsproeiers, motorfietsen; van mannen die vinden datje in de stad hoort als je er een paarjaar hebt doorgebracht. Honden die blaffen tegen iedere vlieg, en die vinden dat helemaal niemand hier thuishoort.

          Weg. De wijde wereld in.

          `Samen een kinderboek schrijven', stelt Floor voor. Over Nini, het popje dat achterin de auto ligt, en over Totteren, Nini's geheime vader, die in een caravan woont. (Julia's Totteren heet eigenlijk anders — de naam Totteren is door Floor bedacht.)

          Ik hoef alleen maar op te schrijven wat ze vertelt.

          `Moet je wel netjes schrijven, dan kunnen andere mensen het ook lezen.'

 

 

Make a Free Website with Yola.